dinsdag 8 januari 2013

Zoektocht naar geluk

Er was eens een rijke jongeling, die zijn rijkdom verkwistte en arm werd. Zijn vrienden zagen hem niet meer staan zoals dat wel vaker gaat met vrienden als je goed in de penarie zit. Een wijze man gaf hem tenslotte de raad zijn Geluk te gaan zoeken.Hij zei:

'Er moet een reden zijn, waarom het Geluk boos op je is geworden en van je is heen gegaan. Ga eens op zoek waar het ergens zit, misschien vind je het terug en word je weer net zo rijk als je geweest bent'.

Dat vond de jongeling een goed idee en een droom liet hem het gezicht van zijn Geluk zien. Het lag op een bergtop, zuchtte zwaar en wenkte naar hem. De jongeling ging op weg, richting berg. Op zijn weg kwam hij een leeuw, een eigenaar van een boomgaard en een beeldschoon meisje tegen. Ook zij waren getroffen door ongeluk en vroegen de jongeling hun persoonlijke vragen aan het Geluk voor te leggen zodra hij dat gevonden had.

De Leeuw vroeg hoe hij weer sterk kon worden, want hij voelde zich al zeven jaar slap en niets waard.

De eigenaar van de boomgaard wilde weten hoe hij zijn boomgaard weer vruchtbaar kon maken.

Het beeldschone meisje tenslotte, vroeg hem wat de naam was van de kwaal die haar treurig maakte en haar slapeloze nachten bezorgde, terwijl ze toch alles had wat haar hartje begeerde.

Alle drie beloofden ze de jongeling rijkelijk te belonen voor zijn antwoorden. De jongeling beloofde op zijn beurt, dat hij op de terugweg de antwoorden zou geven en zette zijn weg voort.

Na zeven dagen en zeven nachten te hebben gelopen vond hij het Geluk in de gedaante van een fee. Ze lag op een bed van edelweiss en boven haar dreef een sneeuwwitte wolk.

De jongeling zei:

'Geluk, kom terug!'

Ze lachte en vertelde hem haar best te zullen doen. De jongeling legde dan de vragen voor die hij had meegekregen en het Geluk gaf antwoord op alle drie de vragen. Opnieuw vroeg de jongeling haar om mee te komen. Zij echter antwoordde:

'Ga alleen. Je zult zien ik volg je'.

Daarop draaide de jongeling zich om en ging heen.

Na drie dagen en drie nachten gelopen te hebben, komt de jongeling het beeldschone meisje tegen. Hij geeft haar het antwoord dat het Geluk hem had gegeven:

'Je moet trouwen met een flinke jonge man'

Het meisje lachte, keek hem verwachtingsvol aan en spreidde haar slanke armen naar hem uit en riep:

'Kom trouw met mij. Laten we samen genieten van de heerlijkheden die het leven ons biedt'

'Nee' zei de jongeling. 'Het Geluk volgt mij en ik moet voort'.

Hij ging en liep opnieuw drie dagen en drie nachten voordat hij bij de eigenaar van de onvruchtbare boomgaard kwam. De jonge man zei:

'Het Geluk heeft mij verteld dat de beek die je boomgaard voorheen bevloeide, een goudmijn bevat. Het is de goudmijn die het fruit bitter doet smaken. Je moet òf de loop van de beek verleggen òf de goudmijn ontginnen.'.

De eigenaar koos voor het laatste en groef inderdaad baar goud op. Hij bood de jongeling een goudstaaf aan bij wijze van beloning. Deze weigerde echter en ging voort, het Geluk zat hem immers op de hielen.

Op de zevende dag kwam hij bij de leeuw en vertelde hem het hele verhaal van zijn geluk, de eigenaar van de boomgaard en het beeldschone meisje. Hij vertelde van de antwoorden die het Geluk hem gegeven had op hun persoonlijke vragen. En ook van de beloningen die zij hem geboden hadden en die hij niet aan had kunnen nemen omdat het Geluk hem zou volgen.

'En ik?' vroeg de leeuw, 'Wat moet ik doen?'.

'Het Geluk heeft gezegd dat je weer krachtig en sterk zult worden als je het hoofd van een dwaas eet'.

'Neem me niet kwalijk' zei de leeuw.
Hij strekte zij poot uit, en sloeg de jonge man tegen de grond.

'Hap', zei hij. Hij had het hoofd er al af en slokte het op.

'De hemel is mijn getuige', zei hij, 'dat ik het hoofd van een grotere dwaas dan deze, die op zoek naar het Geluk alle geluk voorbijloopt, niet zou kunnen vinden'.

Naar een Armeens sprookje