maandag 2 juli 2012

Metafysisch denken

Zintuiglijke metafysieke waarnemingen

Wat de mens het eerst gewaar wordt, komt uit zijn psyche. De meest bekende gewaarwordingen zijn de uiterlijke vormen zoals de zintui­gen (tastorganen van het lichaam), het reukorgaan (membraan van neusvleugels en holtes), het gehooror­gaan (oren) en het gezichtsorgaan (ogen). Elke levenscel zit boordevol met informatie, maar van zichzelf heeft elke cel nooit een zelfstandige werkfunctie. Alle cel­len zijn op elkaar afgestemd.

De mens kent vier denkstaten: een geestelijke, intellectuele, psychische en een staat van gemoed en wordt als volgt gerubriceerd:

1. Intelligentie waarneming met geestelijke perspectieven,
inzicht en wijsheid;

2. Een intellectuele waarneming met horen, luisteren, spreken
en waarnemen van de tijdwil;

3. Een psychische waarneming met astraal waarschouwen, intuïtief waarnemen, voelen en dromen;

4. Een lichame­lijke waarneming met existentie, instinct, levensgeest, levenskracht en gemoed.

Het innerlijk waarnemen komt overeen met het uiterlijk registreren. Het 'platte' spreekwoord: 'ik vat het niet' komt van 'doorvatten' of 'ontwaren'. Wat men be­grijpt heet 'inzicht hebben'. Het 'zien' en 'doorzien' komt van het corticale cerebrum (hersen­schors) en deze wordt samengehouden door de omliggen­de klie­ren. De uitwendige zintuigen zijn gekoppeld aan de zintuiglijke vezels; deze staan in verbinding met de inwendige zin­tuigen. Is één van zo'n zintuigvezel membraan verstoord of be­schadigd, dan kan dit een ernstige ziek­te in de hand werken. Er kan geen gezicht zonder ogen bestaan. Ook is er geen gehoor zonder oren mogelijk en geen reuk zonder neus­slijmvliezen. De uitwendige zintuigen kunnen nooit zonder de inwendige zintuigen functioneren. Zoals er een uiterlijke wereld bestaat, zo is er ook een in­ner­lijke wereld in de mens. Als men spreekt van een uiter­lijk oog, moet er immers ook een innerlijk oog zijn.

De innerlijke conditie van de mens spiegelt zijn uiterlijk gestel. De waarneming van bepaalde zintuigen hangt af volgens de staat waarin men vertoeft. Elke waarneming moet in overeenstemming staan met de staat van een zintuig. De zintuigen kunnen uit zichzelf niets gewaarworden, wel via innerlijke waarnemingen. De zintuiglijke waarnemingen (als in­stru­ment) zijn bedoeld voor de psyche. Men kan immers 'zien' met gesloten ogen en 'horen' met een slapend oor. De zintuigen kunnen naar believen worden aangescherpt of afgestompt. De oorzaak hiervan kan liggen in de veranderlijke staat van het cere­brum. De geleidingsvezels van het cerebrum kunnen zich ontspan­nen, aanspannen, ontvlammen en verhitten, naargelang de psy­chische toestand. Alle zintuigen zijn bij de geleidingsvezels nauw betrokken. De vorm van een orgaan heeft afstemming met de vorm van de gewaarwording. Zo bepaalt de vorm van het oog de vorm van het gezicht en de vorm van het oor en zo ook de vorm van het gehoor.

De vorm van de corticale klier bepaalt het doorvattingsvermo­gen (verbeeldingskracht). Ondergaat een bepaald orgaan een verandering, dan wordt het zintuig dat uit dat orgaan zijn oorsprong heeft, eveneens veranderd. De oogvorm en die van het bijbehorende gezicht is in een volmaaktere staat, dan de vorm van het oor (gehoor). Reden hiervoor is, dat de ogen een meer verfijnder gees­tesge­steldheid hebben dan de oren. De vorm van het innerlijk oog (het innerlijk aangezicht) heeft zijn ontstaan uit de corticale klier, maar is veel vol­maakter dan de uitwendige vorm van het (aan)gezicht. Als het cerebrum in ongekwetste staat is, dan kan het menselijk organisme desalniettemin nog ziek worden. Dan kunnen doven en blinden spreken en denken. Is echter het cerebrum zelf aange­tast, dan stagneren de gelei­dingen van de vezels naar de zintuiglijke organen en is men van zijn ge­waarwording beroofd.

Het waarnemen komt uit de ziel en deze is nauw verbonden met het intellect. Men wil graag 'in tel' zijn, een zwijgende telt echter zogenaamd niet mee volgens wereldse begrippen. Intellect is een gemengd inzicht. Wordt de gewaar­wor­ding van één van de zintuigen verzwakt of aangedaan, dan kan dat deel met betrekking tot de psyche verbroken worden. Intellect is feitenkennis; intelligentie is daarentegen een inner­lijk overblijfsel van denken in wijsheid. De mens kan nooit denken zonder het idee van een verbeelding te bezit­ten. Zonder geheu­gen is hij niet in staat om te denken. Het is niet simpel om specifiek onderscheid te maken tussen het denken en de ver­beeldingskracht (denken in beelden).

Slaapwandelaars ziet men vaak met geopende ogen. Ze hebben de één of andere (vaak foutieve) verbeelding zonder na te denken. Kinderen die net beginnen te praten, spreken door verbeel­de dingen en niet door gedachte dingen. Wat houdt de betekenis in van ver­beelding, denken en geheugen? Verbeelding is het gerepro­duceerbare geheugen zelf van (tegelijk) geziene en gehoorde din­gen. Het denken gaat veel verder dan de verbeelding; het houdt zich bezig door nieuwe ideeën aan zichzelf aan te dragen en die te analyseren en vergelijken.

Als we de overeenkomst van het denken willen begrijpen ten aanzien van verbeelding, vermoedens, gemoed en moed, dan is er een gelijkenis gevormd, wat 'idee-denken' wordt genoemd. Het Franse woord 'courage' bezit het Latijnse woord ' cor' en dat betekent hart, waarin het geestelijk gemoed besloten ligt. Het meest geestelijke identificeert zich met het hart. Het denken bezielt klank en geluid. De denkideeën worden door de levensgeest via het gemoed gevormd en vanuit de ideeën der ver­beel­ding. Gedachten zijn niet-stoffelijke impulsen. Het gemoed ordent en splitst de ideeën verder in een bepaalde orde of vorm. Denken en ordening spiegelen zich en voeden elkaar op geestelijk en stoffelijk plan. Uit deze twee tezamen ontstaan nog meerdere en volmaaktere verstandelijke ideeën. Een woord is slechts een vorm van een zoveelste deel van een ideegedachte. Waarheden zijn voor de mens verhevener, dan gesproken of geschreven woorden. Denkideeën zijn verworven uit een gemoedstoestand en de verbeeldingsideeën komen uit de zintuiglijke waarnemingen. De mens kan zo veel 'vatten' als hij aan kan en wat in zijn geheugen ter beschikking staat. Daarin ligt de machtsfactor van zijn hogere denkbegrip verborgen. Toch is de mens niet direct in staat hiervan optimaal gebruik te maken.

Het denken staat op het vlak van een hoge verbeelding. Er bestaat een hoger en een wijzer oergeheugen, meer nog dan de bronfeitenkennis (intellect) zelf. Op dat niveau kan men de feiten onderscheiden. Het lagere geheu­gen gaat via een zintuiglijke weg. Het hogere geheu­gen is uni­verseel. Als men denkt, dan blijven de gedachten als dingen in de ether achter hoewel deze niet stoffe­lijk zijn. Het lagere geheugen bevat natuurlijke of stoffelijke ideeën. De mens heeft van aanleg moeite om onder­scheid te maken tussen een innerlijk en een uiterlijk denken omdat hij ondergedompeld is in de aardse beslomme­ringen. Er is geen denken mogelijk zonder verstand. Wat de mens hoort, ziet hij met zijn geestesoog. Wat hij ziet doorvat hij. Wat hij inziet kan hij begrijpen.

Vanuit begrepen dingen denkt hij en vanuit gedachte dingen oordeelt hij. Vanuit geoordeelde dingen kiest hij en vanuit uitgekozen dingen besluit hij. Vanuit besloten dingen wil hij en ten slotte handelt hij vanuit gewilde dingen. Met betrekking tot bovenstaande feiten staan oren en ogen hiermee in verbinding. Verstand betekent verstaan, den­ken, oordelen, uitkiezen, besluiten en willen. Zulke processen kunnen tegenstrijdigheden in het gemoed (animus) bewerken. Ingenieus is iemand, die afzonderlijke dingen doorheeft. Hij ziet dingen die overeenstemmen met zijn helder verstand.

Alle ervaringen komen uit het verbeeldingsbewustzijn en de uiterlijke zintui­gen. Oorde­len komt uit een helder verstand. Dieren kunnen inge­nieus zijn, evengoed kunnen dit ook knapen, pubers, vrouwen, dichters en zangers zijn. Volwassen mensen, grijs­aards, mannen en filosofen beschikken in sterkere mate over een uitstekend oordeelsvermogen , maar ze zijn minder inge­nieus. Met de leeftijd rijpt de wijsheid maar neemt het ingenieuze af. Een mens kan redeneren, kan gefundeerde ideeën hebben als delen van zijn menselijk verstand. Personen die luchtig oordelen en de spraak ont­vouwen, doen feitelijk een betoog. De hersenen van de mens bestaan uit talloze piramide achtige vormsels. Deze nemen gedachtes over die uit het hartgebied afstammen. Gedachten maken in de ether vormsels. De materiële gedachten zijn nauwelijks 'verlicht'. Elke gedachte wordt in de hersenwand opgetekend. Al het gedachte tijdens een mensenleven kan nooit vergaan en blijft eeuwig verankerd in het grote geheugenveld van ziel en geest. De bewuste en onbewus­te gedachten zijn een soort databank voor het oog van de ziel die daarover onmiddellijk kan beschikken.

Het geestelijk gestel in de mens beschijnt de mate­riële indrukken van de ziel. Hierdoor kunnen de opgevangen en gekristalliseerde beeldvormingen beter doorzien worden. Reuk en smaak zintuigen staan in nauw contact met het voorhoofd. De gevoelszenuwen staan in verbinding met het achterhoofd. Hoe zuiverder de hersenen, hoe puurder de weergave van smaak, geur of gevoel. In de hersenen worden de beelden weergegeven van elke mogelijk te ontvangen vibratie. Het gaat erom of de ziel die gefixeerde vibraties ook als plaatsen begrijpt. De illu­stratieve beelden worden omgezet in begrijpbare denk­beelden die noodzakelijk zijn voor het intellect, hoewel de psychische gesteldheid (de ziel) dit al lang heeft doorzien. Zijn de hersenen vervormd door alcohol, drugs of verkeerde (op)voeding, dan kan de psychische gesteld­heid zich later moeilijker handhaven of ontwikkelen, maar de 'scherpzinnigheid' kan weliswaar nog wel in tact blijven, zoals bij geleerden. De hersenzenuw ligt in het middendeel van de hersenen en regeert het 'verstandelijk denken'. Dit kan terugvertaald worden naar IQ (intelligentiequotiënt). De wetenschap bedoelt hier eigenlijk intellect quotiënt, omdat 'intelligentie' iets anders is dan ‘intellect’ hoewel beide elkaar raken. Het scherpzinnige verstand wordt meestal voor een materieel doel gebruikt. Wetenschappers zijn in de regel intellectueel, scherp in opname en weergave, maar minder geschikt voor gees­telijke zaken. Wetenschappelijk intellect is aardse feitenkennis. Tegenwoordig worden kinderen getraind om dingen 'uit het hoofd te leren' wat echter mechanisch is. Omdat de hersenen zeer zacht en waterig zijn, kunnen bij het instromen van verkeerde informatie delen van de hersenen voortijdig verharden en misvormen. Het inprenten kan later dan moeilijk omgezet worden in begrijpbare beeldplaatjes en veroorzaakt later chronische hoofdpijn of migraine.

De mens heeft twee innerlijke en twee uiterlijke gelaagdheden. Elke niveautrap spiegelt zijn totaliteit. De ene vloeit in de andere over. Elke gesteldheid kan naar believen worden opgeroepen. Hier ligt een groot stuk psychologie. De onderste en uiterlijke sfeer confronteert de mens met zijn onderbewuste, waaruit ieder mens zijn fysieke gesteldheid put en waaruit zijn reserves bestaan. De onderste gelaagdheid in de mens vormt weliswaar de eigenlijke bouwstenen van een zeer lange voorafgegane ontwikkeling.

(Studie & bron uit: Lichaam en Ziel
door Jacob Lorbers geschriften)