vrijdag 20 juli 2012

Het denken van Etty Hillesum


"Getoetst op onze laatste menselijke waarden ..." Vanaf de eerste bladzijde in haar dagboek is Etty Hillesum overtuigd dat het enige, effectieve wapen tegen de oorlog het werken aan zichzelf is.

'De moed hebben tot zichzelf' is dan ook een weerkerend leidmotief. In zichzelf een centrum vinden zonder zelf middelpunt te willen zijn. Etty is niet in het actieve verzet gegaan. Haar strijd lag op het innerlijke vlak. Ze is ook niet op de vlucht gegaan of ondergedoken. En dat botste bij een aantal van haar vrienden op weerstand en onbegrip. In de eerste jaren na de oorlog kreeg Klaas Smelik haar dagboeken dan ook aan de straatstenen niet kwijt. Hij vond gewoon geen uitgever. Men wilde andere verhalen horen: over de gruwel van de nazi’s, over het heldhaftige verzet en over de materiële heropbouw. Pas vele jaren later volgde de herkenning en ontdekten velen in haar geschriften een onschatbare inspiratiebron in hun groei naar zelfwording en verbondenheid.

In het 'Woord vooraf' van de 'Nagelaten geschriften' wordt aan het eind gezegd:

"Verheerlijking noch veroordeling is gepast". Etty confronteert ons met het mens-zijn en het mens-blijven in de meest extreme omstandigheden. Dat is een vorm van weerstand waartegen geen onderdrukker opgewassen is. Toen niet en nu niet. (p.VIII).

Etty heeft er zelf een hele weg voor moeten afleggen. Haar dagboeken getuigen van een hyperintelligente, maar ook labiele en geëxalteerde vrouw uit Amsterdam, die met horten en stoten een uitdrukking zocht voor het 'onzegbare' in en buiten haarzelf. Vanuit een chaotisch en op zichzelf betrokken bestaan heeft zij een heel eigen weg moeten gaan om stapstenen voor een draagkrachtige spiritualiteit te vinden. Discipline, volharden in een goede dagindeling, schrijven – haar dagboek als therapeutisch 'modderschrift' zoals zij het noemde, de relatie met Julius Spier, de vriendschap met Henny Tideman ... zijn de belangrijke ingrediënten van een merkwaardige cocktail die gemaakt hebben dat zij onder extreme omstandigheden ook een extreem intense groei heeft doorgemaakt. Haar boodschap luidt:

Er is een andere weg dan die van haat en vijandschap, een weg die begint in onszelf. En die boodschap heeft niets van haar actualiteit verloren.

Soms voelt Etty zich 'als een spin die haar draden vooruit gooit' De nagelaten geschriften, p.657).

"Ik wil zo graag blijven leven om de nieuwe tijd te helpen voorbereiden en om dat onverwoestbare in mij behouden over te dragen naar de nieuwe tijd, die zeker zal komen, ze groeit immers al in mij, ik voel het toch’ (p.526).

Etty past heel goed in een postmoderne leefsfeer waar ruimte is voor ambivalentie en paradoxen. Zelf schrijft ze al in het begin:

"Je kan waarachtig beter een echte straathoer zijn of een echte heilige. Dan heb je rust en weet je waar je aan toe bent met jezelf. De ambivalentie bij mij is wel heel erg" (p.51). Anderzijds ontstijgt zij de ‘ik-cultuur’ van tegenwoordig door de beperkingen van een eenzijdige navelstaarderij te onderkennen en een levenshouding van samenhang en verbondenheid te ontwikkelen. Juist het feit dat Etty Hillesum de valkuilen van narcisme en egoïsme weet te vermijden, maakt haar werk voor veel mensen van nu interessant. Haar teksten zijn bijzonder omdat ze zowel sterk geaard zijn – gesitueerd in haar tijd en omgeving – als spiritueel geladen – gericht op diepere eeuwige dimensies van het bestaan.



De nagelaten geschriften van Etty Hillesum confronteren de lezer met een ongecensureerd en bij momenten irriterend eerlijk avontuur van een vrouw van vlees en bloed op zoek naar een diepere bezieling in haar leven. Etty is laat volwassen geworden. "Ze kan af en toe behoorlijk pathetisch en broeierig uit de hoek komen – schrijft Maria ter Steeg – vooral in het eerste deel van haar dagboeken. Ze zwelgt in haar stemmingen en haar lichamelijke kwaaltjes – niet om aan te horen". Maar achter haar bureau leest en schrijft zij haar ziel bij elkaar. Al schrijvend probeert ze greep te krijgen op die voortdurende wisselingen, op haar mateloosheid, op de ziektekiemen die van huis uit in haar ronddwalen. Woorden helpen haar ook om greep te krijgen op de verschrikkingen die zich voor joodse mensen aandienen.

"Een beeldhouwster van de ziel' noemt Denise de Costa haar. En zelf schreef ze:

"Ik bedrijf a.h.w. vormende arbeid, kunstenaarsarbeid aan mijn zieleleven’ (p.496).

Voor Etty is ziel het meest eigene en diepste punt van de persoonlijkheid, maar het is ook de plek waar je ten diepste verbonden bent met andere mensen, met de Kosmos en ook met God. Op het einde van haar dagboek schrijft ze:

"Een ziel is iets dat gemaakt is uit vuur en bergkristallen. Is iets dat heel streng is en oudtestamentisch hard, maar ook zo zacht als het gebaar, waarmee zijn behoedzame vingertoppen soms mijn wimpers streelden" (p.582).

Die ziel wil ze gaan bewonen en cultiveren, want die ziel is vaak verstopt. Spier noemt zij 'de geboortehelper van mijn ziel'. Als zij zich teveel in uiterlijkheden verliest, raakt zij vervreemd van die 'onderstroom', dat diepe innerlijke leven dat heel haar wezen doorstraalt en kracht geeft. Maar tegelijk wil zij 'vol blijven leven' met heel haar temperament, ook met haar stemmingen en vrijgevochten erotiek.

"Volledig leven, naar buiten en naar binnen, niets van de uiterlijke realiteit opofferen ter wille van het innerlijk en ook niet andersom, zie hier een schone taak"(p.56).

Lichaam en ziel zijn één. "Zodra er iets stokt in de ziel, zit het ook in het lichaam' (p128).

Anderzijds herkent zij maar al te zeer de invloed van lichamelijke gesteldheid op zielstoestanden (p.157). Zij ziet het als haar taak om haar ziel 'geurig te houden' en ongeschonden te bewaren ook te midden van de ellendige uiterlijke omstandigheden. Later zal ze schrijven:

"Dikwijls, wanneer ik daar rondliep in Westerbork, tussen de rumoerende en kibbelende en actieve, veel te actieve leden van de Joodse Raad, dan dacht ik: ach laat mij maar een stukje ziel van jullie zijn. Laat ik maar de opvangbarak zijn van het betere in jullie, dat er toch zeker in ieder van jullie is. Ik hoef niet zoveel te doen, ik wil er alleen maar Zijn. Laat mij in dit lichaam maar de ziel zijn" (p.547).

Het is voor ieder van ons een opdracht om de weg te gaan van ego naar fundamentele menselijkheid, van bezitterige kramp naar kwetsbare ontvankelijkheid. Etty worstelde o.a. met de spanning tussen haar vulkanische seksuele behoefte en haar verlangen naar een meer zuivere vorm van vriendschap.


Julius Spier
"Ik zal mijn verlangen opvoeden" (p.273) en "ik wil de vriendschap niet bederven door de erotiek" (p.59). De complexe relatie met Julius Spier – ze was niet alleen cliënt maar weldra ook secretaresse en minnares maar vooral toch zielsvriendin en lotgenote – had een heel ander verloop kunnen kennen. Die twee hadden alles om elkaar ook in de dieperik te sleuren. Maar ze werden klimpalen en groeipolen voor elkaar. "Zij vochten zich vrij aan elkaar" schrijft Jos Snyders. En zelf zegt zij:

"O, iemand die men liefheeft helemaal vrij te laten, helemaal zijn eigen leven te laten, dat is het moeilijkste wat er is. Ik leer het, ik leer het van hèm" (p.497)

Hij trekt haar eros ook open naar een ruimere agapè. Hij zegt:

"De liefde tot alle mensen is mooier dan de liefde tot één mens’ (p. 72). "Wanneer die liefde tot alle mensen niet op de één of andere manier in het spel is, leidt het op den duur toch tot verarming en begrenzing" (p.315).

Zij leert niet alleen zichzelf verstaan maar het leven tout court. Langzaam leert ze ook de diepe roerselen van anderen als hiëroglyfen te ontcijferen.

Maar er is nog een andere evolutie. Paradoxaal gezegd: 'Etty wilde met zichzelf in het rein komen en ze vond God'. Het verhaal van 'Het meisje dat leerde knielen'… Terugblikkend schrijft Etty:

"Wanneer de onstuimigheid te groot is, en wanneer ik er helemaal niet meer uit weet te komen, dan blijven me altijd nog twee gevouwen handen en een gebogen knie. Het is een gebaar, dat ons Joden niet van geslacht op geslacht is overgeleverd. Ik heb het moeizaam moeten leren" (p.580).

Ook hier is de invloed van Spier onmiskenbaar.

"Jij hebt mij onbevangen de naam van God leren uitspreken. Jij bent de bemiddelaar geweest. En ik zal zelf weer de bemiddelaarster zijn voor al die anderen, die ik bereiken kan" (p.545)

Zo probeert Etty, werkend aan zichzelf, ook door te stoten tot die oerbronnen in zichzelf. Zich niet te laten infecteren door de vele kleine angsten en zorgen. En dit brengt haar tot die merkwaardige uitspraak:

"Dit is eigenlijk onze enige morele taak: in zichzelf grote vlaktes van rust ontginnen, steeds meer rust, zodat men deze rust weer uitstralen kan naar anderen. En hoe meer rust er in de mensen is, des te rustiger zal het ook in deze opgewonden wereld zijn." (p.567)

Maar Westerbork was niet bepaald een plek van rust. De dagboeken uit die periode heeft Etty meegenomen naar Auschwitz. Gelukkig beschikken we over een aanzienlijk aantal brieven, die aangeven dat haar spirituele groei daar gestaag verder ging. Maar de confrontatie met de rauwe realiteit wordt ook scherper. In een pakkende beschrijving van een nachtelijk transport zegt zij:

"Zo, nu ben ik dus in de hel… Na deze nacht heb ik in alle oprechtheid gemeend, dat het een zonde zou zijn, wanneer men in het vervolg nog lachte. Als ik denk aan die gezichten van het groengeüniformeerde, gewapende begeleidingspeloton, mijn God, die gezichten! Ik heb ze stuk voor stuk bekeken, verdekt opgesteld achter een venster, ik ben nog nooit van iets zo geschrokken als van deze gezichten. Ik ben in de knoei geraakt met het woord, dat het leidmotief van mijn leven is: En God schiep de mens naar Zijn Evenbeeld. Dat woord beleefde een moeilijke ochtend met mij." (p.686)

Maar toch gaat ze door op de lijn die al van in het begin van haar dagboek aanwezig was: niet haten.

"Men kan zeer strijdbaar en principieel zijn ook zonder volgepropt te zitten met haat. Haar reactie op 'moeten alle Duitsers niet vernietigd worden, liefst stuk voor stuk gefileerd' is:

Blijven werken aan jezelf.
'In je eigen centrum de rottigheid uitroeien' (p.254)

Tegelijk blijft Westerbork voor haar heilige grond.

"En is het niet zo, dat men overal bidden kan, in een houten barak evengoed als in een stenen klooster en verder op iedere plek van deze aarde, waar God, in een bewogen tijd, nu eenmaal meent z’n evenbeelden neer te moeten smijten?" (p.624)

Waar aanvankelijk God voor haar – in de lijn van C.G.Jung, een ander woord was voor die diepste zelfwording of met de woorden van Rilke een 'hulpconstructie' voor het ononderbroken innerlijk avontuur, bloeit nu de dialogale vorm steeds verder open. Haar leven wordt één ononderbroken samenspraak met God. In een brief aan Maria Tuinzing laat ze zich ontvallen:

"Ze zien het steeds nog niet mijn God, dat alles hier drijfzand is behalve jij." (p.675)

Zij probeert te doen wat ze kan, er te zijn voor de kampbewoners. Zij is het meevoelende, denkende hart van de barak. De laatste zin van haar cahiers luidt:

"Men zou een pleister op vele wonden willen zijn" (p.583).

Onvermoeibaar blijft zij God opgraven in de harten van de mensen.

Men heeft Etty Hillesum wel eens een te grote lijdzaamheid verweten. Zelf zag zij dat anders. Ze wilde het lot van haar volk delen.

"Als ik niet ga moet een ander in mijn plaats. Ik wil niet veilig zijn".

Maar dit bijna mystieke gevoel van lotsverbondenheid betekent voor haar geen resignatie. Het gaat samen met elementaire verontwaardiging en principiële strijdbaarheid (p.519).

"Nooit resignatie, nooit vluchten, alles verwerken, dan maar lijden, dat is ook niet zo erg, maar nooit, nooit resignatie" (p.373).

Ze voelt zich rijp geworden om een boel dingen te verdragen zonder te verharden. Maar ze weigert in de slachtofferrol te kruipen.

'Ze kunnen ons niets doen … overal bordjes … maar boven ons de ongerantsoeneerde lucht" (p.457).

Op haar 28ste heeft zij de dood tot een onderdeel van haar leven gemaakt.

"Lijden is niet beneden de menselijke waardigheid. Ik bedoel: men kan menswaardig lijden en onmenswaardig. Ik bedoel: de meeste Westerlingen verstaan de kunst van het lijden niet en ze krijgen er duizend angsten voor in de plaats. Dit is geen leven meer, wat de meesten doen: angst, resignatie, verbittering, haat, wanhoop. Mijn God, het is zo goed te begrijpen allemaal. Maar wanneer hun dit leven genomen wordt, dan wordt hun toch niet veel genomen? En ik vraag mij af of het zo een groot verschil is, hier door duizend angsten, opgevreten te worden of in Polen door duizend luizen en de honger? Men moet de dood accepteren als bij het leven behorende, ook de vreselijkste dood" (484v.)

Hier spelen haar Russische roots: alles tot op de bodem doorleven, zonder te vlug te rationaliseren. Maar ze wil zelf ook alles doorleven, mee aan de fronten staan. Dan zal ze recht van spreken hebben. Er zal toch iemand moeten getuigen.

"Ik voel me als de bewaarplaats van een stuk kostbaar leven, met alle verantwoordelijkheid daarvoor.(p.527). Later wil ik gaan reizen, schrijft zij, ik voel die trek in mij, die over alle grenzen gaat en die in al jouw verschillende en elkaar bevechtende schepselen over de gehele aarde toch iets gemeenschappelijks ontdekt. En over dit gemeenschappelijke zou ik willen spreken, met een heel klein en zacht stemmetje, maar ononderbroken en overtuigend. Geef mij de woorden en de kracht. En dan die poëtische ontboezeming: ‘Geef mij één kleine dichtregel per dag, mijn God, en wanneer ik hem niet altijd zal kunnen opschrijven, omdat er geen papier meer zal zijn en geen licht, dan zal ik hem zachtjes zeggen tegen jouw grote hemel, ’s avonds. Maar geef mij één kleine dichtregel af en toe. (p.563



Etty was van huize uit niet actief in het joodse leven. Maar in de manier waarop ze omgaat met de noodsituatie is zij ten diepste joods. Tegelijk hebben de maatregelen van de nazi’s tegen de joden haar opnieuw en versterkt in haar joodse identiteit binnengevoerd. Het beeld van een meetrekkende en meelijdende God, deze ‘woestijngod’ die zijn volk niet in de steek laat, maar volgt wanneer het verbannen wordt, is zeker terug te vinden bij Etty. Haar God is in de kampen. Zelfs de 'ononderbroken dialoog met God' is zo gewoon joods zegt Piet Schrijvers. Zij worstelt met hem zoals Job dat deed. De invloed van het chassidisme en van de joodse gedachte van 'plaatsbekleding' is zeker niet veraf.

En dan plots op transport. Een toch nog onverwachte beslissing uit Den Haag. Jopie Vleeschhouwer getuigt daarvan in een brief:

"En daar betrad zij de transportboulevard, die zij pas 14 dagen geleden op haar eigen onvergelijkelijke wijze heeft beschreven. Vrolijk pratend, lachend, een aardig woord voor ieder, die op haar weg kwam, vol tintelende humor, misschien wel een tikje weemoedige humor, maar echt onze Etty, zoals jullie haar allemaal kennen".

"Ik heb m’n dagboeken en m’n bijbeltjes en m’n russische grammatica en Tolstoj bij me.". (711v.) Ze heeft nog een kaart uit de trein gegooid: "Ik sla de Bijbel op op een willekeurige plaats en vind dit: de Heere is mijn hoog vertrek. [dat is het psalmvers dat wij zojuist gelezen hebben]. Ik zit midden in een volle goederenwagen op m’n rugzak. Vader, moeder en Mischa zitten enige wagens verder. We hebben zingende dit kamp verlaten, vader en moeder zeer flink en rustig, Mischa eveneens. We zullen drie dagen reizen.’ (p.702) Op een andere kaart stond als een van haar laatste zinnen: "Wachten jullie op mij?".

Volgens het Rode Kruis heeft Etty nog drie maanden geleefd in Auschwitz. We weten niet hoe ze dan gereageerd heeft wanneer ze oog in oog stond met de vernietigingsmachine van de nazi’s. In ieder geval wacht zij nu op ons, op ons antwoord en engagement. Misschien kan deze tekst van Etty ons op weg zetten:

"En nu beginnen de moeilijkheden pas voor mij. Het is niet voldoende om alleen maar jou te prediken mijn God, om jou uit te dragen tot de anderen, om jou op te graven in de harten van anderen. Men moet de weg tot jou in de anderen vrij maken, mijn God en daarvoor moet men een groot kenner van het menselijke gemoed zijn. Het gereedschap om de weg tot jou te banen is nog maar zeer gering. Maar er is toch al wat gereedschap en ik zal het verbeteren, langzaam en met geduld. En ik beloof je, ik zal in zoveel mogelijk huizen onderdak zoeken voor jou, mijn God" (p.550).


Meer lezen over Etty Hillesum, HIER kun je ze vinden.
Diverse inspirerende verhalen en citaten uit haar dagboeken.