vrijdag 24 augustus 2012

Alles of niets

Sta je jezelf wel eens indringend aan te staren, voor de spiegel, om dóór je eigen ogen heen te kijken? Misschien kan één oog zichzelf niet aankijken, zelfs niet via een spiegel. Heb je wel eens het gevoel gehad pas in het pikkedonker te ontdekken wie je bent, of wat zien is? Onze logica werkt met tegenstellingen: zwart - wit, binnen - buiten, zelf - ander, alles - niets en zo voorts. Maar is de werkelijkheid eigenlijk wel zo logisch als we denken?

's Avonds laat, een jaar of vijf geleden, lag ik op bed met het boekje 'The Power of Now', geschreven door Eckhart Tolle, een hedendaagse Duitse mysticus. We say: 'I think', but for most of us, that is not true. Do you really choose to think at all, or is it just there? In fact, thinking happens to us, like digestion and the circulation of our blood'. Plots werd ik wakker uit het spinnenweb van mijn gedachten en zag dat de spin zichzelf gevangen nam, nota bene haar eigen prooi was. De spinrag (uit het eigen achterlijf gedrukt) gaf haar steeds meer het uiterlijk van een cocon of een mummie. Mijn mentale druipsteengrot van woorden en beelden (drup, drup, drup, als een lekkende kraan), bleken de zwachtels van een vernauwende dwangbuis. Ik bleek bevangen door een verbaal en visueel keurslijf. Op het moment dat ik het kijkgat van mijn intellectuele kijkdoos ontdekte, maakte zich een grote grijns van mij meester en voelde ik mij zeker dertig minuten extatisch en euforisch: een nieuwe ervaringsdimensie had zich geopenbaard. Te vergelijken met van-zichzelf-bewust-geworden flow, met de eenheid van lichaam en geest na een intensieve yogales, met een endorfinekick bij het hardlopen, met een nuchtere vorm van high.

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand
 
 

In dat memorabele halve uur keek ik nieuwsgierig mijn kamer rond, terwijl ik er al tien jaar - oftewel: minstens drieduizend nachten - sliep en lag. Dat wil zeggen: vroeger keek ik altijd naar mijn kamer als kamer, nu keek ik naar mijn kamer als geest. In de spiegel aan de wand, zie ik de buitenkant van mijn hoofd, maar mijn netvlies is ook, of beter gezegd, is de eigenlijke spiegel. Mijn hersenen (in dit geval herinneringen, conditioneringen en introspectie), maken van die interne netvliesspiegel een lachspiegel die de binnenkant van mijn hoofd reflecteert. De lichtstralen van de actuele, dynamische buitenwereld worden namelijk voortdurend verbogen door het prisma van mijn gearchiveerde, statische verleden. Aldus lost de tegenstelling tussen lichaam en geest, tussen geest en materie op, want uiteindelijk blijken we niet te kunnen zeggen: dáár begint mijn geest, dáár houdt mijn geest op. En bovendien: als alles geest is, heeft het geen zin om iets nog langer 'geest' te noemen. Dan wordt het een willekeurig begrip, een vrijblijvende verzameling lettertekens, zonder bezwaren te vervangen door 'materie'.

Van dubbelganger tot 'uniganger'

Als dat gebeurt, sta jij, als noemer of eigenaar van de geest, niet meer tegenover de buitenwereld, inclusief niet-ikken. Als geest alles en dus niets (in het bijzonder) is, ben jijzelf - als geest-zijnde - ook alles en dus niets (in het bijzonder). In deze optiek vervalt de scheidslijn tussen mij en anderen. Het is niet zo dat zij een verlengstuk van mij worden of ik een verlengstuk van hen. Noch worden zij een deel van mijn geheel, of ik een deel van hun geheel. Als ik niets kan aanwijzen of ervaren dat niet-ik is (oftewel: alles is bemiddeld via "mijn" bewustzijn ...) en voor jou hetzelfde geldt, dan behoren wij noodzakelijkerwijs tot elkaars werkelijkheid.
Nogmaals: de paradox van 'alles wordt ik', is dat daarmee niets 'ik' blijft. Ik beweer niet dat jij mij bent (geworden), of dat ik jou ben (geworden). Wij zijn echter wel allebei een iemand, met gewaarwording, en verschillen als zodanig slechts schijnbaar. Onze aard, de natuur van onze geest, is één. Wij hebben uiteindelijk één gemeenschappelijk eigenbelang, in plaats van een afzonderlijk eigenbelang.

Inversie

Het solipsisme - de filosofische leer dat alleen ons eigen ik en zijn bewustzijnsdaden bestaan¹ - wordt hiermee functioneel binnenstebuiten gekeerd. Deze immanente (in onszelf besloten) open grens - we weten nooit zeker of en waar we ophouden - is niet langer een rechtvaardiging voor egocentrisme en egoïsme, maar juist een conditio sine qua non voor altruïsme, voor niemand- en nietsontziend mededogen. Stel dat persoon A en persoon B elkaar rechtstreeks aankijken. Wie of wat zien ze dan? Zichzelf of elkaar? Ook hier is het weer: en en, niet of of.

Het netvlies ontvangt de wereld (via de ogen) ondersteboven en onze hersenen keren dat om. Maar is het nou de wereld, of zijn het de hersenen, die oorspronkelijk 'ondersteboven' staat respectievelijk staan afgesteld? Dit is begging the question, zoals dat in het Engels heet, omdat het gebruik van de term 'ondersteboven' het antwoord op juist deze vraag veronderstelt, namelijk: wat überhaupt boven en wat onder is.

Het boeddhisme leert ons heen en terug te switchen tussen twee ogenschijnlijk contradictoire perspectieven: alles vs. niets, geest vs. materie, ik vs. jij, onder vs. boven. Om zo (langzamerhand) te ontdekken dat hun onderscheid relatief is, oftewel niet gegeven, maar betrekkelijk en onderling afhankelijk.

Transparant

Vandaar ook dat het elkaar diep in de ogen kijken zo onvoorstelbaar intiem, zo confronterend, zo transcenderend is. Je kíjkt in een spiegel en je bént een spiegel. Wat gebeurt er als je twee spiegels loodrecht tegenover elkaar zet? Een spiegel zelf is niets of niemand, behalve het spiegelbeeld van iets of iemand. Pas als hij het spiegelbeeld van een andere spiegel, en dus zichzelf, spiegelt, begrijpt hij, wie hij is: niets en niemand, alles en iedereen. 'Vorm is leegte, leegte is vorm', zei de Boeddha al. En wij helpen elkaar ons dat te realiseren.

Bron tekst: Mick Hartman