zaterdag 6 oktober 2012

Ik zit in de eetzaal van het kasteel van de Grote Onthechter, vooral bekend als K. Streng eist hij van de mensen hun gezondheid: een lichaamsdeel, of zelfs hun hele lijf. Elke dag komt het volk zijn tol betalen, jongeren en ouderen. Ze hinken en strompelen en trekken met een arm. Zelf heb ik tegenwoordig een schrijnende stap.

Ik kijk om me heen. Wat zie ik? Tafeltjes met eenzaamheid. Want kanker onthecht je van wat altijd zo vanzelfsprekend een deel van jezelf was. Het is jouw lichaam, jouw gezondheid die wordt afgenomen. Niemand anders kan je plaats innemen. Je wordt op jezelf teruggeworpen. En, met een variatie op de Russische schrijver Tolstoj: ieder is op zijn eigen wijze eenzaam.

Zo zit daar een man met een kunstbeen. Hij is onthecht aan zijn been, maar niet aan zijn eenzaamheid. Een wat slordig, romantisch type. Thuis, onder het leegdrinken van een fles wijn, componeert hij vast tot ’s avonds laat liedjes van verlangen of schrijft poëzie. Hij koestert zijn lot: 'Hello, loneliness'. Zijn strijd met de geduchte K. maakt hem speciaal, anders dan de massa die, even gezond als onwetend, door het leven sjokt.

Aan het tafeltje naast het mijne zit daarentegen iemand met een verongelijkt gezicht. Hij kijkt rond, alsof K. hem Een Groot Persoonlijk Onrecht heeft aangedaan. 'Waarom ik?'

Hij is tweemaal eenzaam: niet alleen door de kanker die hem op zichzelf teruggooit maar ook door zijn zelfbeklag. 'Zijn eenzaamheid eet zichzelf op', zou de filosoof Nietzsche zeggen. Niemand gaat aan zijn tafeltje zitten.

En die schuchtere jongen dan, die niemand aankijkt? Vroeger zou hij een vanzelfsprekende bedding hebben gehad: het grote gezin, de buurt waar iedereen hem kent, de kerk. Daarvoor in de plaats is internet gekomen, met een scherm dat op zijn schrale kamertje zijn isolement verlicht. In zichzelf verzonken, schuift hij zijn broodje over de tafel alsof het een computermuis is. Misschien geeft het contact met K.’s sociaal vaardige, witgejaste hofpersoneel hem wel psychisch zoveel als hem in lichamelijk opzicht afgepakt wordt.

Me omdraaiend, zie ik een oudere vrouw die knikt bij alles wat haar echtgenoot zegt. De kleur van haar jasje past bij zijn das. Weet ze wel wat ze zelf denkt en voelt? Of was ze altijd bang dat de in haar sluimerende gevoelens en verlangens haar hele leven op zijn kop zouden zetten, mochten ze ontwaken? Nu heeft ze K. ontmoet. Daar stemt ze niet mee in. Voor het eerst verzet ze zich. Ze is bezig de eenzaamheid van niet zichzelf te zijn, te verruilen voor de eenzaamheid van een leven waarvoor alleen zij verantwoordelijk is. Ben benieuwd wat voor jasje ze de volgende keer aanheeft.

Daar in de hoek, tenslotte, zit een man te genieten. Langzaam neemt hij een teug van zijn tonic. Verbaasd kijkt hij hoe het licht op het vaasje op tafel valt. Zijn confrontatie met K. heeft hem grondig onthecht, zelfs van zichzelf. Hij is bevrijd van de gezamenlijke illusies die wij in stand houden om onze driften en de dood toe te dekken. Nooit zul je bijvoorbeeld in een contactadvertentie lezen dat sterfelijkheid geen bezwaar is. Die illusies hebben iets geruststellends. Daarom zal die man, zeker in het begin, grote vrees en besef van eigen nietigheid hebben gekend. Maar kijk eens goed hoe hij nu dat vaasje beziet. Hij haalt de werkelijkheid niet naar zich toe om die te gebruiken – en vervolgens gefrustreerd te raken omdat die nooit helemaal aan zijn wensen voldoet. Nee, door zijn onbevangen blik kan de wereld zich van binnenuit ontsluiten: God wordt aanwezig. Uit de vaas komt een bloem. Eigenlijk, bedenk ik, is die kankerpatiënt in de hoek net een monnik. De monnik onthecht zich aan de wereld. In zijn kloostercel deelt hij in de eenzaamheid van God. Die alleen valt volledig samen met zichzelf, is werkelijk vrij van alles en kan daarom overal aanwezig zijn. Onthecht aan alle dingen, laat hij alle dingen van hem zingen.

Delend in de eenzaamheid van God, wordt de monnik één ('monos') met hem – en daardoor één met zichzelf en de wereld. Zijn woestijn gaat bloeien als een roos. Geloof het of niet, daar genieten die monniken nog meer van dan van hun klapwiekende kloosterbieren.

Voorzichtig sta ik op. De pijn pint me vast op mezelf. Ik kan een ander niet vragen om die even over te nemen, terwijl ik een kop koffie haal. Er is geen ontsnappen aan.

Dit kasteel van de onverbiddelijke K.; zou je het ook kunnen zien als een soort klooster waarin de eenzaamheid van kanker de traditionele monnikencel vervangt?

Ieder mens is eenzaam op zijn of haar eigen wijze. Dat is waar.
Maar spiritualiteit is eenzaam zijn op Gods wijze.

Jean-Jacques Suurmond