dinsdag 6 november 2012

Pezzettino

 
Zijn naam was Pezzettino. Al de anderen waren groot en bestonden uit meerdere stukjes. Ze deden gevaarlijke en geweldige dingen. Hij was klein en hij dacht dat hij zeker een stukje van wat anders moest zijn.
Hij vroeg zich vaak af waarvan hij dan wel een stukje kon zijn.
Op een dag besloot hij dit uit te zoeken.

"Neem me niet kwalijk", vroeg hij aan iets-dat-hard-liep. "Ben ik misschien een stukje van jou?"

"Hoe zou ik nu hard kunnen lopen, als ik een stukje miste?" zei iets-dat-hard-liep wel wat verbaasd.

"Ben ik een stukje van jou?" vroeg hij aan iets-dat-sterk-was.

'Hoe zou ik nu sterk kunnen zijn, als ik een stukje miste?"
was het antwoord.

En toen iets-dat-zwom aan de oppervlakte kwam, vroeg Pezzettino het ook aan hem.

"Hoe zou ik nu kunnen zwemmen, als ik een stukje kwijt was?" antwoordde iets-dat-zwom. En hij dook onder in het diepe water.

"Jij daar boven!", schreeuwde Pezzettino terwijl hij klom naar iets-op-de-berg. "Ben ik een stukje van jou?"

Iets-op-de-berg lachte. "Zou je denken dat ik bergen kon beklimmen, als ik een stukje verloren had?"

Pezzettino vroeg het ook aan iets-dat-vloog. Maar het antwoord was steeds weer hetzelfde.

Ten einde raad ging hij naar iets-dat-wijs-was en dat in een hol leefde. "Iets-dat-wijs-was", zei hij "ben ik een stukje van jou?"

"Zou je denken dat ik wijs kon zijn, als er een stukje aan me mankeerde?" antwoordde iets-dat-wijs-was.

"Ik moet toch ergens een stukje van zijn!" riep Pezzettino uit. "Hoe kom ik daar achter?"

"Ga naar het eiland Wam" zei iets-dat-wijs-was.

De volgende morgen vroeg vertrok Pezzettino in zijn kleine boot. Na een moeilijke tocht over hoge golven kwam hij nat en en moe op het eiland Wam aan. Wat gek! Het eiland was niets anders dan bergen en stenen. Geen boom, geen grassprietje, helemaal niemand te zien.

Pezzettino klom van beneden naar boven, naar beneden en weer naar boven tot hij niet meer kon, struikelde, naar beneden viel en ... in een heleboel stukjes brak.

Iets-dat-wijs-was had gelijk gehad. Pezzettino wist nu, dat hij net als anderen ook gemaakt was uit stukjes. Hij zocht zichzelf bij elkaar en toen hij zeker was dat hij geen stukje had laten liggen, rende hij terug naar zijn boot. Hij roeide de hele nacht door, zo hard als hij kon, om zo vlug mogelijk thuis te komen.

Al zijn vrienden stonden op hem te wachten. "Ik ben mezelf", riep hij juichend. Zijn vrienden begrepen niet goed wat hij bedoelde, maar Pezzettino leek gelukkig en dus waren zij het ook.

Uit het boek "Pezzettino" van Leo Lionni