donderdag 12 juli 2012

Dialoog over een peer


Vergilius en Beatrice zitten aan de voet van de boom.
Ze staren met nietsziende blik voor zich uit. Stilte.

Vergilius:

Ik zou heel wat overhebben voor een peer.

Beatrice:

Een peer?

Vergilius:

Ja. Een rijpe, sappige peer. (Korte stilte)

Beatrice:

Ik heb nog nooit een peer gegeten.

Vergilius:

Wat?
Beatrice:

Ik geloof zelfs dat ik er nog nooit één heb gezien.

Vergilius:

Hoe kan dat nou? Het is een heel gewone vrucht.

Beatrice:

Mijn ouders aten altijd appels en wortels. Ze hielden zeker niet van peren.

Vergilius:

Maar peren zijn juist zo lekker! Wedden dat er hier vlakbij een perenboom staat? (Hij kijkt om zich heen)

Beatrice:

Geef eens een beschrijving van een peer. Hoe ziet een peer eruit?

Vergilius: (leunt op zijn gemak achterover)

Ik kan het proberen. Eens kijken. Om te beginnen heeft een peer een bijzondere vorm. Hij is rond en dik aan de onderkant, maar loopt naar boven taps toe.

Beatrice:

Net als een kalebas.

Vergilius:

Een kalebas? Je weet wel wat een kalebas is, maar je weet niet wat een peer is? Vreemd, de dingen die we wel en niet weten. Hoe dan ook, nee, een peer is kleiner dan de gemiddelde kalebas, en de vorm is veel mooier om te zien. Een peer loopt symmetrisch taps toe, de bovenhelft zit recht midden op de onderhelft. Zie je voor je wat ik bedoel?

Beatrice:

Ik geloof van wel.

Vergilius:

Laten we met de onderste helft beginnen. Kun je je een dikke, ronde vrucht voorstellen?

Beatrice:

Zoiets als een appel?

Vergilius:

Niet helemaal. Als je je een appel voor de geest haalt, zie je dat de omtrek in het midden van de vrucht het grootst is, of in het bovenste derde gedeelte, ja toch?

Beatrice:

Je hebt gelijk. Maar dat is bij een peer niet zo?

Vergilius:

Nee. Je moet je een appel voorstellen die in het onderste derde gedeelte op zijn dikst is.

Beatrice:

Ik zie het voor me.

Vergilius:

Maar we moeten de vergelijking niet te ver doortrekken. De onderhelft van een peer lijkt niet op die van een appel.

Beatrice:

O nee?

Vergilius:

Nee. De meeste appels zitten op hun billen, bij wijze van spreken, op een ronde rand of op vier of vijf punten die voorkomen dat ze omvallen. Voorbij de billen, ietsje hoger, daar zou de anus van de vrucht zitten als de vrucht een dier was.

Beatrice:

Ik snap precies wat je bedoelt.

Vergilius:

Nou, een peer is heel anders. Een peer heeft geen billen, maar een ronde onderkant.

Beatrice:

Maar hoe blijft hij dan staan?

Vergilius:

Hij kan ook niet staan. Een peer bungelt aan een boom of ligt op zijn kant.

Beatrice:

Net zo wiebelig als een ei.

Vergilius:

Er is nog iets met de onderkant van een peer: de meeste peren hebben niet van die verticale groeven zoals sommige appels wel hebben. De meeste peren hebben een gladde, ronde, gelijkmatige onderkant.

Beatrice:

Fascinerend.

Vergilius:

Dat is het zeker. Zullen we nu via onze fruitevenaar naar het noorden gaan?

Beatrice:

Ik ga met je mee.

Vergilius:

Daar begint de peer taps toe te lopen, zoals ik al eerder zei.

Beatrice:

Ik zie het niet goed voor me. Eindigt die vrucht in een punt? Is hij kegelvormig?

Vergilius:

Nee. Denk maar aan de punt van een banaan.

Beatrice:

Welke punt?

Vergilius:

De onderste, die je in je hand houdt als je er een aan het eten bent.

Beatrice:

Wat voor soort banaan dan? Er zijn honderden soorten.

Vergilius:

O ja?

Beatrice:

Ja. Sommige zijn zo klein als dikke vingers, andere lijken wel knuppels. En ze verschillen ook van vorm, en van smaak.

Vergilius:

Ik bedoel van die gewone gele bananen die echt lekker zijn.

Beatrice:

De Musa sapientum. Waarschijnlijk denk je aan de varieteit Gros Michel.

Vergilius:

Ik ben diep onder de indruk.

Beatrice:

Ik heb verstand van bananen.

Vergilius:

Meer dan een aap. Goed, neem het ondereind van een banaan en zet dat op een appel, maar hou wel rekening met de verschillen tussen appels en peren die ik daarnet heb beschreven.

Beatrice:

Een interessante enting.

Vergilius:

Nu maak je de lijnen gladder, flauwer. Laat de banaan zachtjes uitdijen terwijl hij overgaat in de appel. Zie je het voor je?

Beatrice:

Ik geloof van wel.

Vergilius:

Nog één detail. Helemaal boven aan die appelbanaancompositie moet je een bijzonder taai steeltje toevoegen, echt een steel als een boomstam. Nou, en dan heb je ten naaste bij een peer.

Beatrice:

Zo te horen is een peer een prachtige vrucht.

Vergilius:

Dat klopt. Wat de kleur betreft, een peer is meestal geel met zwarte vlekjes.

Beatrice:

Ook net als een banaan dus.

Vergilius:

Nee, het lijkt er niet op. Het geel van een peer is niet zo fel, niet zo dof en ondoorzichtig. Het is een lichter, doorschijnend geel, het gaat in de richting van beige, maar niet cremekleurig, eerder waterig, bijna met de visuele textuur van een aquarel. En de vlekjes zijn ook wel eens bruin.

Beatrice:

Hoe zijn die vlekjes verdeeld?

Vergilius:

Niet zoals de vlekken van een luipaard. Het is niet zozeer een kwestie van echte vlekken, meer van stukken die donkerder zijn, afhankelijk van hoe rijp de peer is. O ja, een rijpe peer krijgt gemakkelijk beurse plekken, dus je moet er voorzichtig mee zijn.

Beatrice:

Natuurlijk.

Vergilius:

Nu de schil. Het is een eigenaardige schil, die van de peer, moeilijk te beschrijven. We hadden het over appels en bananen.

Beatrice:

Ja.

Vergilius:

Die hebben een egale, gladde schil.

Beatrice:

Dat is zo.

Vergilius:

Een peer heeft een minder egale of gladde schil.

Beatrice:

O ja?

Vergilius:

Jazeker. Een peer heeft een ruwere schil.

Beatrice:

Net als die van een avocado?

Vergilius:

Nee. Maar nu je over avocado's begint, de vorm van een peer lijkt wel een beetje op die van een avocado, maar de onderkant van een peer is meestal dikker.

Beatrice:

Interessant.

Vergilius:

Een peer loopt bovenaan opvallend veel spitser toe van een avocado. Toch lijken ze heel erg op elkaar.

Beatrice:

Ik zie de vorm duidelijk voor me.

Vergilius:

Maar de schil is niet te vergelijken! De schil van een avocado is wrattig als de huid van een pad. Een avocado ziet eruit als een melaatse groente. Het bijzondere van de peer is een dun soort ruwheid, hij voelt teer en interessant aan. Als je het honderd keer kon versterken, weet je hoe het dan zou klinken als er vingertoppen over de schil van een droge peer gleden?

Beatrice:

Nou?

Vergilius:

Dan zou het klinken als de diamant van een platenspeler die in de groef wordt gezet. Datzelfde dansende geknister, net als een vuurtje van heel droge, heel lichte takjes.
Beatrice:

Een peer is vast de mooiste vrucht op de hele wereld!

Vergilius:

Ja, dat is ook zo! De schil van een peer in al zijn glorie.

Beatrice:

Kun je hem eten?

Vergilius:

Natuurlijk. We hebben het niet over de stugge, weerbarstige schil van een sinaasappel. Als een peer rijp is heeft hij een zachte schil die meegeeft.

Beatrice:

En hoe smaakt een peer?

Vergilius:

Wacht even. Je moet er eerst aan ruiken. Een rijpe peer ademt een waterig, subtiel aroma uit, de kracht zit 'm in de lichtheid van de indruk op de reukzin. Kun je je de lucht van nootmuskaat of kaneel voor de geest halen?

Beatrice:

Jazeker.

Vergilius:

De geur van een rijpe peer heeft dezelfde uitwerking op de geest als zulke specerijen. De gedachten staan even stil, gefascineerd, en er borrelen duizend en een herinneringen en associaties op terwijl de geest diep moet graven om de aantrekkingskracht van die verlokkelijke geur te doorgronden. Wat trouwens nooit zal lukken.

Beatrice:

Maar hoe smaakt een peer? Ik word nu wel erg nieuwsgierig.

Vergilius:

Een rijpe peer is een symfonie van sappig en zoet.

Beatrice:

O, dat klinkt lekker.

Vergilius:

Als je een peer doorsnijdt, zul je zien dat het vruchtvlees stralend wit is. Er gloeit licht binnenin. Iemand die een mes en een peer bij zich heeft, is nooit bang in het donker.

Beatrice:

Ik moet er één hebben.

Vergilius:

De structuur van een peer, de consistentie, is ook lastig onder woorden te brengen. Sommige peren zijn een beetje knapperig.

Beatrice:

Net als een appel?

Vergilius:

Nee, het lijkt er niet op! Een appel wil niet worden opgegeten, hij biedt weerstand. Een appel wordt niet verorberd, maar veroverd. De knapperigheid van een peer is veel aantrekkelijker. Hij heeft mee en hij is zacht. Het eten van een peer doet denken aan een kus.

Beatrice:

O hemel. Dat klinkt erg lekker.

Vergilius:

Het vruchtvlees van een peer is soms een beetje korrelig. En toch smelt het in je mond.

Beatrice:

Hoe is het mogelijk.

Vergilius:

Elke peer heeft dat. En dat gaat alleen maar over hoe hij eruitziet, aanvoelt, ruikt, weerstand biedt. Ik heb je nog niet verteld hoe hij smaakt.

Beatrice:

Lieve god!

Vergilius:

Voor de smaak van een goede peer geldt: als je er één eet, als je je tanden in dat heerlijks zet, bestaat er niets anders meer. Je enige wens is die peer opeten. Je wilt er liever bij zitten dan bij staan. Je doet het liever alleen dan in gezelschap. Je hebt liever stilte om je heen dan muziek. Als je zintuigen gaan op non-actief, behalve je smaakvermogen. Je ziet niets, je hoort niets, je voelt niets ,tenminste, alleen voor zover het je waardering verhoogt voor de goddelijke smaak van je peer.

Beatrice:

Maar hoe smaakt hij nou eigenlijk?

Vergilius:

Een peer smaakt als, hij smaakt als ...(Hij zoekt naar woorden. Schouderophalend geeft hij het op.) Ik weet het niet. Ik kan het niet onder woorden brengen. Een peer smaakt naar zichzelf.

Beatrice: (treurig)

Ik wou dat jij een peer had.

Vergilius:

En als ik er één had, zou ik hem aan jou geven. (Stilte)

Yann Martel - Beatrice en Vergilius