dinsdag 24 juli 2012


Om te vernederen zijn er twee nodig. Diegene die vernedert en diegene, die men wil vernederen en vooral: die zich lààt vernederen. Ontbreekt de laatste, dus: is de passieve partij immuun voor iedere vernedering, dan verdampen de vernederingen in de lucht. Wat er overblijft, zijn alleen lastige maatregelen, die in het dagelijkse leven ingrijpen, maar geen vernederingen of verdrukkingen, die de ziel beklemmen.

Ik fietste langs de Stadionkade vanochtend en genoot van de wijde hemel daar aan de rand van de stad en ademde de frisse, ongerantsoeneerde lucht in. En overal bordjes, die wegen, de vrije natuur in, voor Joden versperd hielden. Maar boven dat éne stuk weg, dat ons blijft, is ook de volledige hemel. Men kan ons niets doen, men kan ons werkelijk niets doen. Men kan het ons een beetje lastig maken, men kan ons beroven van wat materiële goederen, van wat uiterlijke bewegingsvrijheid, maar wijzelf plegen de grootste roof aan ons, wij roven ons onze beste krachten door onze verkeerde instelling. Door ons achtervolgd, vernederd en verdrukt te voelen. Door onze haat. Door branie, die angst verbergt. Men mag best soms treurig en teneergeslagen zijn over het ons aangedane, dat is menselijk en begrijpelijk. Maar toch: de grootste roof aan ons plegen wij zelf.

Ik vind het leven mooi en ik voel me vrij. De hemelen binnen in me zijn even wijd uitgespannen als boven me. Ik geloof aan God en ik geloof aan de mensen en ik durf het langzamerhand eerlijk te zeggen zonder valse schaamte. Het leven is moeilijk, maar dat is niet erg. Men moet beginnen zijn ernst ernstig te nemen en de rest komt vanzelf. En "werken aan zichzelf" is heus geen ziekelijk individualisme. En een vrede kan alleen een echte vrede worden later, wanneer ieder individu in zichzèlf vrede sticht en haat tegen medemensen, van wat voor ras of volk ook, uitroeit en overwint en verandert in iets, dat geen haat meer is, misschien op den duur wel liefde, of is dat misschien wat veel geëist? Toch is het de enige oplossing.

Ik ben een gelukkig mens en prijs dit leven, jawel, in het jaar des Heren, nog steeds des Heren, 1942, het zoveelste oorlogsjaar? En nu goede nacht, morgenvroeg om 8 uur hoop ik weer terug te zijn bij m'n Japanse lelies en m'n stervende theeroos.

Etty Hillesum,
20 juni 1942