vrijdag 27 juli 2012

Over ruimte en tijd


'De dingen staan in een kamer, de kamer is een huis, het huis staat in een stad, kortom, het gegeven is de ruimte, die zelf niet op deze wijze grijpbaar voor handen is. In de ruimte worden drie, loodrecht op elkaar staande richtingen onderscheiden: lengte, breedte en hoogte.

De ruimte met haar drie dimensies betekent op zichzelf nog geen echte werkelijkheid. Het starre beeld van de foto moet tot film worden, de tijd moet erin springen als een nieuwe, maar andersoortige diepte. Beweging is pas mogelijk daar, waar zowel ruimte als tijd gegeven is.

Kenmerkende verschillen tussen ruimte en tijd zijn onder meer, dat de tijd slechts één dimensie heeft, lineair is, en voorts dat men in de ruimte heen en weer, voor- en achteruit kan gaan, in de tijd echter niet. Stelt men de tijd voor als een stromen, dan kan men de tijd onomkeerbaar noemen.

De grote filosoof Immanuel Kant werd getroffen door de onmogelijkheid ruimte en tijd weg te denken. Men kan ieder voorwerp wegdenken, zelfs de hele wereld, maar zonder de ruimte zijn de dingen ondenkbaar. En zo kan men ook wel de verschijnselen uit de tijd wegdenken, maar niet de tijd zelf. Daarom zijn ruimte en tijd onmisbare vóórwaarden tot de waarneming van de objectieve werkelijkheid. Ruimte en tijd zijn daarbij geen concrete zaken, maar de structuren, de vormen waardoor de mens deze wereld waarneemt.

Allereerst blijkt uit de ontwikkeling van de hedendaagse natuurwetenschap, dat ruimte en tijd steeds meer één geheel vormen. Bij tijdsbepaling en de beschrijving van de ruimte speelt het licht een grote rol. Daar komt dan ook de belangrijkste rol van de waarnemer om de hoek kijken. De relativiteitstheorie leert geenszins een relativisme, wel een tijdbepaling, die samenhangt met de plaats van de waarnemer. Tijd hangt nauw samen met waarnemend bewustzijn.'

Uit het boek Filosofische Oriëntatie
van Prof.C.A. van Peursen
1920 - 1996