donderdag 23 augustus 2012

Over de liefde


Als de liefde je toewenkt, volg haar dan,
Hoewel haar wegen moeilijk begaanbaar zijn en steil.
Als ze haar vleugels om je heen slaat,
zwicht dan voor haar.
Als ze je toefluistert, schenk haar dan geloof.

Hoewel haar stem je dromen verbrijzelt,
zoals de noordenwind door een tuin woedt
en haar maakt tot een woestenij!
Want ofschoon de liefde je kroont,
kruisigt ze je ook.

Ofschoon ze dient voor je groei,
zal ze je ook snoeien
Ofschoon ze opstijgt om je hoogste,
teerste takken te strelen,
die bevend trillen in de zon
daalt ze ook af naar je wortels!
om ze los te schudden,
waar ze zich vastklampen aan de aarde.

Als een korenschoof gaart ze je bijeen.
Ze dorst je tot je naakt bent
Ze maalt je tot je blank bent
Ze kneedt je tot je soepel bent.

Dit alles doet de Liefde opdat je
de geheimen van je hart leert kennen
en zo een deel wordt van ‘s levens hart.
Maar als je in je angst alleen de vrede
en de zoetheid der liefde zoekt,
is het beter dat je je naaktheid bedekt,
haar dorsvloer verlaat en een wereld betreedt
zonder seizoenen, waar je zult lachen,
maar niet je volle lach
en wenen, maar niet al je tranen.

De liefde geeft enkel zichzelf
en put slechts uit haar eigen bron.
Zij weet niet van bezitten
en wil evenmin in bezit genomen worden,
want zij heeft genoeg aan zichzelf.

Denk niet dat je de loop van de liefde kunt bepalen,
want de Liefde bepaalt jouw loop.
De liefde kent geen ander verlangen
dan zichzelf te vervullen.
Maar als je liefhebt en wel verlangens koestert,
laat dit dan je verlangen zijn;
Smelten en worden,
als een snelvlietende beek
die haar melodie zingt voor de nacht;
De pijn kennen van te veel tederheid;
De liefde doorgronden, gewond worden
en vrijwillig en vreugdevol bloeden;

In de ochtend ontwaken met een gevleugeld hart,
dankbaar voor weer een dag van liefhebben
Rusten op het middaguur
en de vervoering van de liefde overpeinzen;
Tegen de avond huiswaarts keren vol dankbaarheid;
En dan slapen met een gebed voor de geliefde in je hart
en een lofzang op je lippen.

Kahlil Gibran
Spiegels van de ziel