zondag 9 september 2012

'Moet er dan weer iemand heen om het uit te leggen?'

God zat somber op zijn troon. 'Ik wou dat ik het allemaal nog eens over kon doen,' zei hij tegen zijn zoon, die naast hem zat. 'Als Ik nou één van die presidenten op de knop laat drukken en BOEM! Alles weg en weer woest en ledig en morgen begin Ik gewoon opnieuw.

'Dat kunt U niet maken, Vader.'
'Waarom niet?'
'U hebt beloofd dat U het met deze wereld zou doen.'
'Ja jongen, je hebt gelijk en laten we eerlijk zijn: zo slecht gaat het nou ook weer niet de laatste tijd. Er wordt weer behoorlijk veel gebeden.

Gabriël!'
'Ja mijnheer.'
'Heb je de kas opgemaakt?'
'Ja mijnheer.'
'Laat de dagstaten eens zien.'
'Alstublieft mijnheer.'
'Dank je, Gabriël.'
'Nog iets van uw orders, mijnheer?'
'Nee, Gabriël, vanavond niet meer. Ga maar engelen kijken.'

God pakte de computervellen en zei: 'Moet je zien: 32 miljoen gewone gebeden, 18 miljoen schietgebedjes, 1 miljard harde uitroepen van mijn naam en 2 1/2 miljard in combinatie met die van jou en je moeder. Dat is toch prachtig?'
'U moet die cijfers niet zomaar klakkeloos lezen. Die moet U interpreteren.'
'Wat is dat?'

'Dat zal ik U uitleggen: Tachtig procent van die gebeden zijn verplichte nummers van professionals: priesters, dominees, leraren op christelijke scholen en voorzitters van christelijke politieke partijen. En het is een zorgelijke tijd beneden en dan worden de mensen onrustig, als ze er niks aan doen en dat jaagt het gemiddelde omhoog. En die uitroepen van onze naam, dat zijn gewoon ordinaire vloeken en kreten van pijn of genot.'
'Als de mensen Mij nog maar bij name kennen.'
'Zij weten wel wie U bent, maar niet meer precies wat U bent.'
'Jongen, Ik snap het niet meer,' zuchtte God. 'Ik heb ze toch wel wat gegeven: de schepping met alles erop en eraan. Dat was toch een mooi ontwerp. Ik heb ze nog een keer gewaarschuwd met de zondvloed. Noach mocht opnieuw beginnen. Toen ging het weer mis. Ik dacht: Ik stuur mijn enige zoon, en die hebben ze zelfs laten zitten.'
'Laten hangen zult U bedoelen.'

'En ze kunnen toch lezen? Ze hebben de Bijbel, de Tien Geboden, de Profeten, het Nieuwe Testament, de Psalmen en gezangen en twintig eeuwen theologen en catechese om het allemaal nog eens haarfijn uit te leggen. Ze kunnen tegenwoordig hun geloof belijden op hun manier. Ik maak geen ondescheid meer. Dat doen ze zelf. Zolang ze niet naar die Khomeiny hollen, zal het mij allemaal een zorg zijn. Als ze maar in iets of iemand geloven.'
'Ze moeten eerst weer in zich zelf geloven, Vader.'
'Wat moet ik dan? Nog meer wonderen doen? Moet er dan weer iemand heen om het uit te leggen? En wie dan? We kunnen die ouwe jongens toch niet terugsturen? Die zitten net lekker rustig hier: Johannes de Doper, Augustinus, Thomas van Aquino, Gandhi, Martin Luther King. Is er onder de jonge generatie dan niemand? Die Michael Jackson, kunnen wij die niet krijgen?'
'Daar hebben we niks aan. Die is mensenschuw.'

Het was lange tijd stil. God dacht na. Zijn hoofd rustte in zijn oude handen. Hij keek op en zei: 'Als ik nou eens zelf zou gaan?'
'Dat moet u niet doen, Vader. Ze zullen U niet herkennen.'
'Maar ik kan toch gewoon zeggen: 'Ik ben God'
'Dat zeggen er zoveel. Dan pakken ze U op en stoppen U in een inrichting. Daar krijgt U librium, bezigheidstherapie van een welzijnswerker die zegt dat U eerst van Uzelf moet leren houden en eenmaal in de week bezoek van een priester, die zegt dat het allemaal de wil van God is. Bovendien, wat zou U ze dan willen zeggen, wat ze niet allang weten of kunnen weten?'

Toen werd het echt heel stil in de hemel. Je kon een engel horen vallen. De wereld wentelde zich langzaam naar een nieuwe dag. God keek naar beneden. Hij vond het nog altijd mooi, wat hij zag. Toen stond Hij op en zei:

'Ik zou ze zeggen: Niet bang zijn.'

Paul van Vliet
Deze conférence staat in:
Ik ben mij er eentje, een verzameling cabaretteksten.