maandag 15 april 2013

De parabel van de soepsteen


Het gebeurde in de middeleeuwen, de tijd van epidemieën, hongersnood en crisis.

Een pelgrim op doorreis werd door honger gekweld en klopte aan op de eerste de beste deur. Daar zaten net toevallig enkele families bij elkaar; ze zaten zich, uit armoede, te warmen aan hetzelfde vuurtje. De pelgrim begreep best dat de mensen doodarm waren en dat hij dus niet zomaar om wat voedsel kon bedelen. Hij stelde voor om een grote ketel soep te koken.

Iedereen keek verbaasd op van dat voorstel, want voor soep heb je toch heel wat nodig! Dat bleek geen bezwaar, de reiziger beweerde alles bij zich te hebben in zijn rugzak. Al wat hij nodig had, was een grote ketel water. Goed, ze lieten het zich geen twee keer zeggen, ze haalden een reuze ketel water, en zetten die op het vuur. En toen haalde de man uit zijn rugzak: een steen. "Nee, nee, geen gewone steen", zei hij, toen hij de vragende blikken zag, "een echte soepsteen!"

Voorzichtig legde hij de steen in het water en nu maar wachten, vol spanning, vol nieuwsgierigheid. "De soep zou gekruid moeten zijn", zei de man na een tijdje. Gelukkig was er nog wat zout in huis, en de buurvrouw had ook nog een blaadje laurier en een beetje Spaanse peper. Ze ging het halen. En dan maar weer wachten. "Er moest eigenlijk een beetje vet bij", zei de man. En toen herinnerde zich iemand dat hij in de kelder nog wat soepvlees had staan. "Ze zou ook nog wat gebonden moeten zijn", zei de man weer, want hij had in het voortuintje een aardappelplant zien staan. De knolletjes gingen erbij. "Wat zou je denken van een paar worteltjes?", vroeg iemand plotseling. En iemand anders dacht er net aan dat hij nog één of twee rapen had liggen, verstopt onder het matras. En nog iemand kwam met een struikje prei. En de overbuurvrouw had nog een knolletje selderij en een handjevol bonen en een kleine savooienkool.

In korte tijd was het huis gevuld met een adembenemende geur. Daarna hebben ze gegéten, gegeten tot ze niet meer konden en nog was de soep niet op.

Toen nam de pelgrim dankbaar afscheid en wou vertrekken. "Je vergeet je soepsteen", zei iemand. "Nee, die mag je houden", antwoordde de man, "je kunt er nog honderd keren soep van koken, als je maar net doet als wij daarnet gedaan hebben". "Toch een wondersteen", zeiden de mensen toen de man de deur was uitgestapt.

Toen de pelgrim uit het gezicht verdwenen was, raapte hij een nieuwe steen op van de weg en stopte hem zorgvuldig in zijn rugzak.

Uit: Met rituelen het leven spelen