woensdag 3 april 2013

De regendruppel die niet los durfde te laten


Het was een mooie dag vroeg in het voorjaar. De natuur ontwaakte na een lange winterslaap. Overal ontluikte jonge aanplant en de knoppen aan de bomen gingen langzaam open. Er scheen een waterig zonnetje.

Opeens begon het zachtjes te regenen en kleine regendruppels daalden neer op de aarde. Sommigen vielen in de stad en werden met het andere regenwater weggevoerd naar de rivieren die uitmonden in de zee. Sommigen vielen in de aarde en werden meteen opgenomen in de grond. Anderen kwamen op de planten, bomen en bloemen terecht en bleven even liggen voor ze verdampten of op de grond vielen.

Die dag kwam er ook een kleine regendruppel terecht op de zijkant van een stengel van een bamboeplant. De plant die aan de waterkant stond, zag er werkelijk prachtig uit. Toen de druppel daar zo aan de stengel hing terwijl om haar heen de andere druppels vielen, had ze een mooi overzicht
over de hele omgeving.

Langzamerhand werd ze echter steeds angstiger van wat ze zag en ze vroeg zich af wat er met haar zou gebeuren. Zou ze straks verdampen, opgedronken worden door een insect of een vogel of zou ze gewoonweg langzaam naar beneden zakken en uitvloeien over de stengel. Of nog erger: vallen en in de rivier terecht komen. Ze besloot om zich langzaam te laten zakken naar een veilige plek.

Ze pakte zich bij elkaar; om er zeker van te zijn dat er niets van haar achter bleef, en ging langzaam op zoek naar een veilige plek. Die vond ze in de oksel van de bamboeplant. Ze lag daar heerlijk in het kuiltje en zelfs toen het begon te waaien, bracht haar niets uit balans. Na enige tijd begon ze zich toch wel wat ongemakkelijk te voelen: ze kon hier natuurlijk niet eeuwig blijven. De zon won aan kracht en als ze daar zou blijven liggen, zou ze op den duur langzaam maar zeker verdampen. En dan was er natuurlijk nog steeds de mogelijkheid dat ze door een insect of vogel zou worden gevonden.

Terwijl ze daar zo lag te denken wat er allemaal zou kunnen gebeuren en wat ze zou moeten doen, gebeurde dat wat ze nooit had kunnen bedenken. In de nacht daalde de temperatuur en begon het licht te vriezen. En, nog voor dat ze het eigenlijk in de gaten had wat er gebeurde, bevroor de regendruppel. Net voordat ze helemaal van ijs was geworden, bedacht ze nog dat het meeste vreselijke in elk geval niet gebeurd was: terecht komen in de rivier. Niemand zou meer weten dat ze eigenlijk een regendruppel was geweest, ze zou helemaal verdwijnen in de watermassa. Het idee dat je zo vermengd kon worden met ander water, dat je niet meer wist wie je was,
was haar grootste angst.

Die ochtend lag er over het groen een witte sluier van vorst. De zon kwam op en terwijl hij langzaam ontwaakte en zijn boog aan de hemel schreef, won hij aan kracht. Hij verwarmde alles wat er was.

De zon scheen ook op de bamboeplant en op alle druppels die daarop waren achtergebleven. Langzaam ontdooiden ze. Ook de waterdruppel die verborgen lag in de oksel. Het regenwater dat ontdooide gleed langzaam langs de stengel van de plant naar beneden.
Een van de stengels werd topzwaar en de plant begon te hellen.

Zo gebeurde het dat de regendruppel viel en viel en viel ... Terwijl dit gebeurde trok haar hele leven aan haar voorbij en ze wist dat er geen redden meer aan was. Het loslaten was begonnen en er was geen weg meer terug.

Toen ze zo door de lucht naar beneden viel, besefte zij zich dat dit pas het begin van de reis was en niet het einde.

Ze plonsde in de rivier en werd omgeven door het water. Heel snel was ze als regendruppel onherkenbaar, maar ze voelde haar kern en herkende die bij anderen.

Zo ging ze op weg, mee met de stroom,
op weg naar de eindeloze zee.