zondag 28 april 2013

Mr. de Fontgibu


Een van de bekendste voorbeelden van 'toeval', of synchroniciteit, of hoe je het wilt noemen, is dat van de plumpudding. Men vindt dat verhaal in talloze boeken over synchroniciteit van C.G. Jung en anderen, en natuurlijk op internet terug als hét schoolvoorbeeld van een wonderlijke toevalligheid. Maar oorspronkelijk kwam het verhaal uit een boek van de franse sterrenkundige en spiritist Camille Flammarion (1842-1925), en zo werd het in 1900 overgenomen door Het Toekomstig Leven. Hierbij dus de originele, en daarom enig juiste versie:

Emile Deschamos, een beroemd dichter, wiens naam tegenwoordig niet zo veel meer gehoord wordt, vertelt, dat toen hij in zijn kinderjaren nog te Orleans vertoefde, hij zich eens bij toeval met een meneer de Fontgibu, een kortelings uit Engeland teruggekeerd uitgewekene, aan tafel bevond, die hem een plum-pudding liet proeven, een gerecht, tot op dat tijdstip in Frankrijk bijna onbekend.

De herinnering aan dien maaltijd was langzamerhand uit zijn geheugen uitgewischt, toen hij, tien jaar later, voorbij een restauratie op den Boulevard Poissonnière komend, daarbinnen een plum-pudding bemerkte, die er verrukkelijk uitzag. Hij treedt binnen, vraagt er een stuk van en verneemt dat het gebak voor rekening is van een klant.

"Mijnheer de Fontgibu, riep de dame van achter de toonbank, toen zij zijn teleurstelling zag, zoudt gij zo goed willen zijn uw plum-pudding met meneer te delen?"

Hij had enige moeite de heer de Fontgibu te herkennen in die man, reeds op leeftijd en met gepoederd haar, de uniform van kolonel dragende en die dineerde aan een tafeltje in zijne nabijheid. De officier schiep er genoegen in, hem een deel van zijn pudding aan te bieden. Vele jaren verliepen, waarin hij noch plum-pudding, noch de Heer de Fontgibu zag.

Op een dag werd Deschamps op een diner gevraagd, waar men een echt Engelse plum-pudding zou eten. Hij nam de uitnodiging aan, maar hij voorspelde de gastvrouw lachende, dat de heer de Fontgibu van de partij zou zijn, tot groot vermaak van het gehele gezelschap, toen hij de aanleiding daartoe mededeelde. Op die bepaalde dag, gaat hij er heen. Tien genodigden nemen de 10 plaatsen in, die voor hen bestemd waren, rondom de tafel, waarop een prachtige plum-pudding prijkte. Men begon met hem te plagen met een zekere mijnheer de Fontgibu, toen de deur openging en een bediende de heer de Fontgibu aanmeldde. Een grijsaard, door een bediende ondersteund, trad moeilijk voortstrompelend binnen. Hij gaat langzaam om de tafel heen, waar hij niemand schijnt te zoeken; zijn voorkomen is dat van iemand, die niet weet, waar hij zich bevindt. Was het een visioen? Was het een grap?

Het was carnavals-tijd. Deschamps geloofde eerst aan eene vermomming. Maar toen de grijsaard hem genaderd was, moest hij erkennen dat het de Heer de Fontgibu in persoon was.

"Mijne haren rezen ten berge", schreef hij.

Alles werd opgehelderd: Mijnheer de Fontgibu, insgelijks uitgenodigd om te komen dineren bij iemand, die hetzelfde huis bewoonde, had zich een deur vergist.

In deze geschiedenis is er een serie van gelijktijdigheden, die ons in verlegenheid brengt en men begrijpt de kreet van de schrijver, bij de herinnering aan dit afschrikwekkende feit:

"Driemaal in mijn leven plum-pudding
en driemaal mijnheer de Fontgibu!
Waarom?

Een vierde keer ... en ik ben tot alles of tot niets in staat."