dinsdag 18 februari 2014

Vader en zoon

Boekfragment

Dit fragment komt uit Carnegie's long time bestseller en is geschreven door een vader aan zijn zoon. De eerste keer is het stuk gepubliceerd in Readers Digest en vele malen erna geciteerd en gepubliceerd om te laten zien dat we soms te streng zijn voor elkaar.



Luister zoon, ik zeg dit terwijl je ligt te slapen, met één van je kleine handen onder je wang en met je blonde krullen plakkerig op je klamme voorhoofd. Ik ben stiekem in mijn eentje je kamer binnengeslopen. Nog maar een paar minuutjes terug zat ik in de studeerkamer mijn krant te lezen en werd ik overmand door een verstikkend gevoel van spijt. Met een gevoel van schuld sta ik nu naast je bedje.

Hier heb je dingen waaraan ik dacht, jongen: ik was boos op je. Ik heb op je gemopperd toen jij je aankleedde om naar school te gaan, omdat jij je gezicht alleen maar wat aaide met een vochtige handdoek. Ik nam je onderhanden omdat jij je schoenen niet had gepoetst. Ik riep boze woorden naar je toen je een paar van je spullen liet vallen.

Aan het ontbijt had ik ook al van alles op je aan te merken. Je morste. Je schrokte je brood haastig naar binnen. Je zat met je ellebogen op tafel. Je smeerde de boter veel te dik op je brood. En toen je buiten ging spelen en ik op weg ging naar mijn trein, draaide jij je om, wuifde naar me en riep: 'Dag pappie!' Waarop ik mijn wenkbrauwen fronste en bij wijze van antwoord zei:

'Trek je schouders toch naar achteren!'

En ‘s middags laat, begon het allemaal van voren af aan. Toen ik aan kwam wandelen ontdekte ik dat je op je knieën lag te knikkeren. Je had gaten in je kousen. Ik heb je toen voor de ogen van je vrienden vernederd door je voor me uit naar huis te laten marcheren. Kousen waren duur en als jij ze zelf had moeten betalen zou je wel voorzichtiger zijn geweest!

Herinner jij je nog hoe je later, toen ik in de studeerkamer zat te lezen, heel schuchter binnen kwam, met die verdrietige blik in je ogen? Toen ik over de rand van mijn krant naar je keek, geïrriteerd door de storing, bleef je aarzelend op de drempel staan.

'Wat wil je?' snauwde ik je toe.

Je zei niets, maar rende stormachtig op me af, sloeg je armpjes om me heen en kuste me en je kleine armen omhelsden me met een affectie die alleen God in je hartje kon laten ontkiemen, een liefde die zelfs niet kan verdorren als gevolg van verwaarlozing. En weg was je, naar boven denderend over de trap.

Wel zoon, niet lang daarna gleed de krant uit mijn handen en werd ik overmand door een misselijkmakend gevoel van angst. Wat heeft de gewoonte met mij gedaan? De gewoonte om altijd en eeuwig gebreken aan je te ontdekken en je standjes te geven - zo beloonde ik het feit dat je nog een jongen was. Dat kwam niet omdat ik niet van je hield; het kwam omdat ik teveel verwachtte van een kind. Ik hanteerde de maatstaven voor iemand van mijn eigen leeftijd.

Maar toch was er zoveel goeds en liefs en waarachtig in je karakter. Dat hartje van je was even groots als de dageraad, daar boven de uitgestrekte heuvels. Dat bleek wel uit de spontane manier waarop je binnen kwam stormen om me goedenacht te kussen.

Vanavond doet er verder niets toe, zoon. Ik ben in het donker naar je bedje geslopen en kniel hier neer, vol schaamte.

Het is een zwakke poging tot boete doen; ik weet dat je deze dingen niet zou begrijpen als ik je ze probeerde uit te leggen als je wakker was. Maar morgen zal ik een echte vader voor je zijn!

Ik zal met je spelen en zal verdriet met je hebben als je verdrietig bent en ook zal ik met je mee lachen als je lacht. En ik zal op mijn tong bijten als ik me ongeduldige woorden laat ontvallen. Ik zal dit telkens blijven zeggen, alsof je een ritueel betreft:

'Hij is nog maar een jongen – een kleine jongen!'

Ik vrees dat ik me je voorstelde als een volwassen man. Maar nu ik je hier zie liggen, zoon, vermoeid en opgerold zie ik dat je nog maar een kind bent. Gisteren zat je nog op de arm van je moeder en rustte je hoofdje op haar schouder. Ik heb teveel van je gevergd, veel te veel.

Dale Carnegie