vrijdag 12 oktober 2012

Herfst

Ik ben een blad, een eikenblad.
Ik ben groen en glanzend.
Ik hing in een boom,
aan een tak die ik als de mijne beschouwde.

De boom was mijn houvast,
de tak mijn toeverlaat.
Ik was veilig.
Niets kon mij gebeuren.

Ik ben een blad, een eikenblad.
Ik ben groen en glanzend.
Ik hing in een boom,
aan een tak die ik als de mijne beschouwde.

Toen kwam de wind.
Raakte mij aan.
Haalde mij uit mijn evenwicht.
Gooide mij ondersteboven.

En de tak die ik als de mijne beschouwde,
liet me los.
De boom heeft me uit handen gegeven.

Ik ben een blad, een eikenblad.
Ik word geel en bruin.
Alles doet pijn.
Alles trekt samen in mij.

Ik lig gekromd van uiteinde naar uiteinde.
Er gebeurt iets in mij waar ik geen vat op heb.
Mijn boom gaf mij uit handen.
De tak die ik als de mijne beschouwde,
liet me los.
Verdriet haalt het leven uit me weg.

Ik ben een blad, een eikenblad.
Ik word dun en broos.
Ik word doorschijnend.
Licht van de hemel gaat door mij heen naar de aarde.
Regen valt op mij, door mij, doordrenkt mij.

Ik val uit elkaar. Ik word één.
Eén met het licht, één met de regen,
één met de aarde.
Ik ben niet langer iets.
Niet langer niets.
Ik ben in alles en alles is in mij.
Ontreddering is redding geworden.

Ik ben een blad, een eikenblad. En jij?
Ik noemde je boom. Ik noemde je tak.
Ik heb je als de wind ervaren.
Nu weet ik, je bent een blad, een eikenblad.

Soms worden we samen dun en broos.
Soms vallen we samen uit elkaar in de aarde.
Licht gaat door ons heen.
Regen doordrenkt ons.

Wij worden één. Eén met het licht,
één met de regen.
Eén met de aarde. Eén met elkaar.
Wij zijn in alles en alles is in ons.
We zijn even eeuwigheid geworden.

Ik ben een blad, jij bent een blad.
En weer zullen wij zomeren ...

Marjo Dohmen