maandag 14 april 2014

De sultan en de slaaf

Sprookjes zijn een grote bron van levenswijsheid! Net zoals poëzie lezen, muziek beluisteren en dansen, kan het een helende werking hebben het zich in sprookjes te verdiepen. De meeste sprookjes zijn ontstaan uit volksverhalen, niet zozeer voor kinderen dan wel voor volwassenen. Pas veel later heeft men diezelfde verhalen bewerkt voor kinderen.



In Bagdad woonde lang geleden een sultan die onmetelijk rijk was. Zijn paleis was zo groot dat men er weken kon ronddolen. Hij had de liefste en de mooiste vrouwen van de wereld in zijn harem, en voor al zijn andere verlangens had hij zwarte slaven die hem op zijn wenken bedienden.

Op een dag liep de sultan verveeld over de markt, toen hij door een waterdrager onder de voet gelopen werd.

"Kun je niet uitkijken voor je tegen de rijkste man ter wereld op botst?" riep de sultan kwaad terwijl hij opstond.

De ander was niet onder de indruk: "Ach, rijkdom. Dat is maar wat je rijk vindt. Misschien ben ik wel rijker dan u."

Dat vond de sultan een vreemd antwoord. Hij slikte zijn woede even in om uit te vinden waar de rijkdom van deze man dan wel uit bestond. Hij klopte het stof van zijn kleren.

"Mijn rijkdom is welbekend," zei hij. "En ik zou dan wel eens willen weten waar de jouwe uit bestaat."

"Mijn rijkdom bestaat uit dromen, de mooiste dromen ter wereld," zei de waterdrager.

"O, dromen. Dromen zijn bedrog. Ik hoef niks te dromen. Alles wat ik wil kan ik in een handomdraai krijgen," sprak de sultan neerbuigend.

"Ik hoor al dat u nooit droomt," zei de waterdrager, "want u weet de rijkdom ervan niet te waarderen. Dan benijd ik u niet, want ik ben slaaf van een meester, en u bent slaaf van uw bezit. Voor mij is het gemakkelijker om vrij te worden dan voor u, want ik kan mij vrij dromen, en u niet."

Hij wachtte de reactie van de rijke sultan niet af, maar zette de kruik weer op zijn hoofd en ging door met zijn werk. Zijn woorden hadden indruk gemaakt. De hele dag piekerde de sultan, want inderdaad, dromen deed hij nooit. Toen dacht hij: 'Voor mij is toch zeker alles te koop, dromen dus ook.' Hij liet uitzoeken wie de meester van deze slaaf was, bood een flinke som geld, en de waterdrager was van hem.

Hij liet zijn nieuwe slaaf voor zich leiden. 'Jij bent nu van mij, dus zijn jouw dromen ook van mij. Ik wil dat je de hele dag droomt en mij daar regelmatig verslag van doet. Als je mij ervan overtuigt dat jouw rijkdom groter is dan de mijne laat ik je vrij. Maar als jouw rijkdom waardeloos is, ben je het me niet eens waard om je nog van eten en drinken te voorzien.'

De volgende dag vertelde de slaaf zijn eerste droom:

"Ik was op een klein afgelegen zandstrand
dat ik nog uit mijn jeugd ken."

De sultan onderbrak hem:

"Daar heb ik niets aan, want ik ken dat strand niet.
Breng me ernaar toe."

De slaaf bracht hem naar het afgelegen strandje. Het zand was fijn en wit, er groeiden een paar kokospalmen, en de rest van de wereld werd aan het oog onttrokken door grote rotsen. De sultan was onder de indruk:

"Dit is inderdaad een prachtig strand, ik wil het hebben."

"Dat zal niet gaan, meester," zei de slaaf, "Het is niet te koop."

"Onzin. Alles is te koop," sprak de sultan. "Ik laat meteen uitzoeken aan wie het toebehoort, en ik zal hem een aanbod doen dat hij niet kan weigeren."

"U kunt zich de moeite besparen meester," zei de slaaf. "Ik weet van wie het is, en hij zal het u nooit verkopen."

"Wie is dat dan?"

"U bent het zelf meester. Daarom droomt u er ook nooit over."

De sultan was een weinig in verlegenheid gebracht.

"Ga verder met je droom."

"Op het strand lag het liefste en mooiste meisje van de wereld, mijn vroegere buurmeisje, en zodra ze mij zag liep ze naar mij toe om van mij te houden. Maar op dat moment kwam er een enorme witte os uit de golven en aan hem was zij uitgehuwelijkt. Hij zag dat het meisje meer van mij hield dan van hem, en wilde me verscheuren. Om mij te redden liep ze met hem mee de zee in. Al snel waren ze door de branding in de verte verdwenen. Ik was wanhopig en zocht jarenlang over de hele wereld. Het volgende moment was ik op het kleine eiland waar de os haar gebracht had, en waar hij haar dag en nacht bewaakte. Ik had geen mogelijkheid om hem te verslaan, daarom werd ik alle dagen een kleine pikvogel, die hem het ongedierte uit de vacht wegpikte, en zo bleef ik jaren op het eiland. Mijn mooiste momenten waren als ik mijn geliefde kon zien. Die momenten waren niet talrijk, maar genoeg voor mij om gelukkig te zijn."

En toen?" vroeg de sultan.

"Toen werd ik wakker gemaakt omdat ik u mijn droom moest vertellen," zei de slaaf met een glimlach.

De sultan was even stil, in gedachten verzonken.

"Ik geloof er niks van dat het mooiste en liefste meisje jou zou kiezen als ze je hier op het strand zag."

Hij gaf een bediende opdracht het vroegere buurmeisje van de slaaf op te sporen, en toen zij voor hem werd geleid bleek zij inderdaad zeer knap en lieftallig.

Hij zei haar:

"Hier op het strand zie je mij en mijn slaaf. Loop naar degene toe voor wie je hart het hardst klopt."

Het meisje twijfelde even, en liep toen naar de sultan toe, maar de slaaf zag wel dat haar ogen eigenlijk op hem waren gericht.

"Zie je wel dat dromen bedrog zijn.
Ze kiest mij," zei hij triomfantelijk.

"Nee heer," zei de slaaf. "Ze kiest u omdat ze al in uw harem zit. U hebt zoveel vrouwen dat u ze niet eens allemaal herkent. Maar zou u haar laten gaan als ze u niet koos?"

De sultan gaf toe dat deze overweging meegespeeld kon hebben.

"Goed, ik geef je het voordeel van de twijfel.
Morgen weer een droom."

De volgende dag kwam de slaaf weer hij de sultan om te vertellen wat hij in zijn slaap had beleefd.

"Ik droomde dat ik in een grote tropische tuin was, waar alle verschillende bomen van de wereld stonden, en iedere vogel in volle kleurenpracht zijn lied zong."

De sultan onderbrak hem: "Daar hoef ik niet van te dromen,
zo'n tuin heb ik al.

Hij nam hem mee naar een tuin in het paleis waar dat alles was. De slaaf keek even rond en zei:

"Heel aardig, maar lang niet zo mooi als in mijn droom."

"Daar waren alle jaargetijden tegelijk te zien, en mensen waren niet in de buurt. Ik was de mooiste vogel, met het mooiste lied. Op een dag ontdekte ik dat de treurwilg ontbrak en ik vloog uit deze heerlijke tuin om hem te zoeken, want ik wilde hem troosten al wist ik niet waarom hij huilde. Ik vloog over verdorde aarde, en het volgende moment zat ik op zijn takken. Ik zong de mooiste liederen voor hem, en langzaam rechtte hij zijn stam. Opeens zat ik in een gouden kooi. Een kalief die nooit lachte had van mijn lied gehoord, en wilde het ook horen, daarom had hij me laten vangen. Hoe goed hij me ook verzorgde, in de kooi schoten mij na een paar dagen slechts gewone volksliedjes te binnen die iedereen kan fluiten en de kalief was in mij teleurgesteld. Maar in plaats van mij te straffen liet hij mij vrij. Toen ik door het gouden kozijn naar buiten vloog zag ik dat zijn rug zo krom was als van de treurwilg. Uit medelijden ging ik in het raam zitten, en zong het mooiste lied dat ooit werd gehoord. Op dat moment werd ik wakker."

De sultan had hem niet meer onderbroken, was nu in gepeins verzonken. Ze liepen de tuin uit naar de grote zaal.

"Dat van die vogel komt me bekend voor. Ik heb ooit eens een vogel in een gouden kooi gekregen die naar men zei mooi kon zingen, maar in mijn bijzijn zong hij slechts eenvoudige wijsjes."

Hij liet de vogel halen, keek er even naar en liet hem vrij. De vogel fladderde in het rond, vloog het raam uit en verdween uit het gezicht.

"Zie je wel dat dromen bedrog zijn," zei hij triomfantelijk.
"Deze vogel komt niet terug."

"Integendeel, heer," antwoordde de slaaf. "Het toont alleen aan dat dromen mooier en rijker zijn dan de werkelijkheid. En dat u dat eigenlijk ook vindt blijkt uit het feit dat u de vogel hebt vrijgelaten. U hoopte dat hij terug zou keren om voor u te zingen."

De sultan voelde zich een beetje betrapt, en probeerde van onderwerp te veranderen.

"Maar het zijn allemaal jouw dromen, de dromen van een slaaf. Want ze gaan over vrijheid en rijkdom, dingen die ik al heb. Ik wil dat je droomt voor mij."

Dat kan ik alleen als ik leef als u, heer. Laat mij een dag een leven als dat van u leiden, en ik zal dromen als u."

De sultan overwoog het even en stemde toe. Een dag lang kreeg de slaaf toegang tot alle deuren, mocht hij gebruik maken van alle slaven en dezelfde spijzen nuttigen aan de tafel van de sultan. Zelfs kreeg hij toegang tot de harem.

De volgende dag vertelde hij wat hij had gedroomd:

"Heer, deze nacht was het haast onmogelijk te dromen, daar ik alle denkbare weelde tot mijn beschikking had. Pas vroeg in de ochtend slaagde ik erin weg te zweven, en het was geen mooie droom ..."

"Vertel hem toch maar," zei de sultan. "Het is tenslotte mijn droom en niet de jouwe."

"Goed dan," zei de slaaf. "Ik droomde dat ik alleen was op een eiland van goud. In plaats van zand lagen er korrels fijn zilver, als het regende vielen er diamanten uit de lucht die ik op kon drinken, maar mijn dorst lesten zij niet. Op een bepaald moment kwam er een man in een roeiboot langs, die aanbood mij mee te nemen. Ik wilde dolgraag weg, maar niet zonder mijn schatten.

"Dat zal niet gaan," zei de ander, "want de boot is te klein, hij kan nauwelijks twee mensen vervoeren." 1k hield echter aan. Hij bood aan dat hij op het eiland achter zou blijven, zodat ik met enige schatten hulp kon gaan halen, maar ik vertrouwde hem niet met mijn rijke eiland, en ik ging er niet op in. Daarna zaten we toch met zijn tweeën in de boot, en midden op zee, zonder dat het was gaan waaien, zonk de boot. Ik kwam in een enorme draaikolk terecht, terwijl het goud en de parels om mij heen wervelden. Ik werd opgeslokt door een verschrikkelijk zevenkoppig zeemonster. In het bijtende vocht van zijn maag verviel mijn rijkdom tot modder, en er was niet veel fantasie voor nodig om te bedenken hoe het met mij of zou lopen. Op dat moment werd ik schreeuwend en badend in het zweet wakker.

Sta mij toe dat ik nooit meer een dag leef zoals u.
Liever sterf ik."

Lange tijd was de sultan stil.

"Zo wil ik niet langer dromen," zei hij tenslotte. "Ik neem het zekere voor het onzekere en ik vat deze droom op als een waarschuwing. Dat betekent dat je me hebt overtuigd, je bent nu een vrij man. Misschien ben je inderdaad wel rijker dan ik. Toch mag je een schat uit mijn schatkamers uitzoeken, want zelfs al betekenen ze rijkdom, dromen kun je niet eten."

"Dat is waar, heer. Maar van dat goud zou ik alleen maar armer worden. Geeft u dat als u het kwijt wilt liever aan de behoeftigen, ik kan werken voor de kost. Sta mij echter toe dat ik mijn geliefde, mijn vroegere buurmeisje uit uw harem meekrijg als mijn wettige vrouw."

De sultan stond dit toe, en gaf meteen opdracht om voortaan elke dag een schep geld onder de armen uit te delen.

Die nacht droomde de vorst van de vogel die hij had vrijgelaten, en hij was blij dat het een mooie droom was, niet zo'n nachtmerrie als de slaaf had gehad. Toen hij de volgende morgen opstond zat die vogel in zijn raamkozijn en zong z'n mooiste lied voor hem. Dromen zijn immers geen bedrog.

Een Diversisch Sprookje door Bert Oosterhout