Posts tonen met het label Godfried Bomans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Godfried Bomans. Alle posts tonen

maandag 13 december 2021

Een witte kerst



Er was eens een man die het kerstfeest grondig wilde vieren. Hij haalde een laddertje uit de schuur en spande langs het plafond de rode papieren slingers die daarvoor garant zijn. Aan de lamp hing hij één van die rode bellen, die opgevouwen weinig lijken, maar naderhand nog aardig meevallen. Toen dekte hij de tafel. Hij had hiervoor urenlang over drie winkels verdeeld in de rij gestaan, maar het zag er dan ook goed uit. Naast elk bord stak hij ten slotte een kaarsje aan, waarvan je er tien in een doos koopt, en klapte in zijn handen. Dit was het teken om binnen te komen. Zijn vrouw en kinderen, die al die tijd in de keuken elkaar met een verlegen glimlach hadden aangekeken, kwamen bedremmeld binnen.

"Nee maar," zeiden ze, "dat had je niet moeten doen."

Maar omdat hij het toch gedaan had gingen ze blij zitten
en keken elkaar warm aan.

"En nu gaan we niet alleen smullen," zei de man, "we moeten ook beseffen wat er nu eigenlijk gebeurd is."

En hij las voor hoe Maria en Jozef alle herbergen afliepen, maar nergens was er plaats. Maar het kind werd ten slotte toch geboren, zij het in een stal. En toen begonnen ze te eten, want nu mocht het, al was er dan veel ellende in de wereld.

"Kijk," zei de man "dat is nu Kerst vieren en zo hoort het eigenlijk." En daarin had hij gelijk. En zij verwonderden zich over de hardvochtigheid van al die herbergiers, maar het was ook tweeduizend jaar geleden moet je denken, zo iets kwam nu niet meer voor. En op dat ogenblik werd er gebeld. De man legde de banketstaaf die hij juist aan de mond bracht, verstoord weer op zijn bord.

"Dat is nu vervelend," zei hij, "er is ook altijd wat." Hij knoopte zijn servet los, sloeg de kruimels van zijn knie en slofte naar de voordeur.

Er stond een man op de stoep met een baard en heldere, lichte ogen. Hij vroeg of hij hier ook schuilen mocht, want het sneeuwde zo. Het was namelijk een witte Kerst, dat heb ik nog vergeten te zeggen, hoe kan ik zo dom zijn. De beide mannen keken elkaar een ogenblik zwijgend aan en toen werd de één door een grote drift bevangen.

"Uitgerekend op Kerstmis," zei hij, "zijn er geen andere avonden." En hij sloeg de deur hard achter zich dicht. Maar terug in de kamer kwam er een vreemd gevoel over hem en de tulband smaakte hem niet. "Ik ga nog eens even kijken," zei hij, "er is iets gebeurd, maar ik weet niet wat."

Hij liep terug naar de stoep en keek in de warrelende sneeuw. Daar zag hij de man nog juist om de hoek verdwijnen, met een jonge vrouw naast zich, die zwanger was. Hij holde naar de hoek en tuurde de straat af, maar er was niemand meer te zien. Die twee leken wel in de sneeuw te zijn opgelost. Want het was, zoals gezegd, een witte Kerst. Toen hij weer in de kamer kwam zag hij bleek en er stonden tranen in zijn ogen.

"Zeg maar even niets," zei hij, "die wind is wat schraal, het gaat wel weer over." En dat was ook zo, men moet zich over die dingen kunnen heen zetten. Het werd nog een heel prettig Kerstfeest, het was in jaren niet zo echt geweest. Het bleef sneeuwen, de hele nacht door en zelfs het kind werd opnieuw in een schuur geboren.

Uit: "Sprookjes van Godfried Bomans"

maandag 10 september 2012

Kwaadspreken



"Het kwaadspreken is een vorm van zelfwantrouwen
en een gevolg van innerlijke onzekerheid.
Door de fouten van anderen te laken,
zoekt men de afwezigheid ervan bij zichzelf te bevestigen."

Godfried Bomans

woensdag 28 december 2011

Geen verleden of toekomst, maar Zijn in het Nu

Bomans en katten

Van Bomans zijn beelden bekend waarin hij een poes uit een bureaula tovert en dan nog een jonkie. En op de voorkant van De wereld van Godfried Bomans, is hij afgebeeld met vier jonge katten die hij naar zijn hand wil zetten. In hetzelfde boek is nog een foto te zien van de schakende Bomans, met een zwarte kat op de schouders.

Bomans had duidelijk wat met katten, maar wat? Dat heeft hij, in twee stukjes uiteengezet.

Katten

Uw vraag, van welke dieren ik het meeste houd, kan ik met stelligheid beantwoorden: van katten. In het algemeen vallen dierenvrienden in twee groepen uiteen: hondenhouders en kattenliefhebbers. Let op de woorden: een hond kan men houden, een kat kan men alleen liefhebben. Katten laten zich niet houden, het zijn volkomen zelfstandige dieren, die hun eigen leven leiden. Ziedaar de reden van mijn voorkeur.

De kernvraag, die aan deze keuze ten grondslag ligt, luidt: wat verwacht men van dieren? Verwacht u trouw, begrip, aanhankelijkheid? Kies dan een hond. Maar ik verwacht dit niet. Ik verwacht die eigenschappen van mijn vrienden en wens die taak niet overgenomen te zien door een dier. Een hond heeft iets menselijks. Maar dat is nu juist niet, wat ik van dieren hoop te krijgen. Wat zij mij geven moeten, is het totaal andersoortige van hun wezen. Ik vind het verkwikkend om naar een kat te kijken, omdat een kat niets met mij te maken heeft. Hij trekt zich geen bal van mij aan, hij heeft geen enkele relatie tot mij en wenst die ook niet te hebben. In zijn afgesloten dierlijkheid is hij een autonoom, van mij totaal verschillend wezen en ik vind het heerlijk om die vreemde zelfstandigheid te observeren.

Dit is het, wat ik in dieren zoek: het ... andere. Volgzaamheid en wederzijds begrip zou die illusie slechts verstoren en een kat doet daar ook niet de minste poging toe. Misschien begrijpt hij mij volkomen, maar hij geeft daar niet het geringste blijk van. Wij laten elkander alleen en wij genieten van het wederzijds misverstand.

4 oktober 1961,
Werken VII, p. 324

Katten vind ik verrukkelijke beesten. Niemand kan zeggen dat hij tot het innerlijk van een kat is doorgedrongen. Het zijn zwijgzame, trotse, ongenaakbare, superbe dieren, van kop tot staart vervuld van een supreme minachting voor wat wij, mensen, denken en doen. Grote persoonlijkheden zijn het, gesloten en even ontoegankelijk als Boeddhistische kluizenaars. Van alle levende wezens zijn zij het verst gevorderd in de kunst van het genieten. De zaligheid van een kat, die met toegeknepen ogen in de zon ligt te spinnen, is met geen enkele andere genieting te vergelijken.

De kunst van het zich gelukkig voelen is hierin gelegen, dat men geheel en al opgaat in het moment van Nu. Mensen kunnen dat niet. Zij denken, ook in de behagelijke situaties, of aan gisteren of aan morgen. Dieren kunnen dat wel. Zij kunnen juist dat andere niet. Zij Zijn, in de meest volstrekte zin van het woord. Wij worden of waren altijd. De charme van het omgaan met dieren ligt hierin, dat wij verkeren met schepselen, die in een voortdurende Zijnstoestand leven. Dat is hun grootste talent. Bij katten nu is het woord talent te zwak. Het zijn genieën in dit opzicht. Geniale genieters. Zij zijn ook de enige dieren, die ter openbaring van hun gelukstoestand een apart geluid voortbrengen. Ook wij doen dit, als wij lachen. Maar het spinnen van een kat is meer dan dat. Het is een hoorbare glimlach, de glimlach, tot geluid geworden, uitdrukking van het volledige Zijn binnen proporties, die wij niet kennen.

Oktober 1950
Werken VII, p. 140-141