Posts tonen met het label Inspirerende verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Inspirerende verhalen. Alle posts tonen

maandag 14 maart 2022

Het besef



De Schepper liet alle dieren die hij geschapen had
samenkomen en zei:

‘Ik wil iets voor de mensen verbergen tot ze er klaar voor zijn. Dat is het besef dat zij hun eigen werkelijkheid creëren’.

De adelaar zei:

‘Geef het aan mij en ik vlieg het naar de maan.’

De Schepper zei:

‘Nee. Op een dag gaan ze daar heen en zullen het dan vinden.’

De zalm zei:

‘Geef het mij en ik verstop het op de bodem van de oceaan’.

De Schepper zei:

‘Nee, ook daar zullen ze eens komen en het vinden.’

De bizon zei:

‘Geef het mij en ik verstop het ergens op de immense prairie.’

De Schepper zei:

‘Nee, ze zullen in de grond graven en het ook daar vinden.’

Grootmoeder mol die in de borst van moeder aarde leefde en die geen gewone ogen had maar zag met spirituele ogen, zei:

‘Stop het in de mens zelf.’

De Schepper zei:

‘Het is gedaan’


Sioux verhaal

woensdag 2 maart 2022

De criticus

Een mooi verhaal dat aantoont dat kritiek krijgen
soms in je voordeel kan zijn.


Er was eens een restaurant met de naam "Zevenster". Ondanks alle moeite kreeg de waard weinig gasten. Hij maakte het restaurant gezellig, zorgde voor een vriendelijke, prettige bediening en hield de prijzen binnen redelijke grenzen. Maar er kwamen haast geen gasten.

Vertwijfeld vroeg hij een wijze om raad. Toen de wijze man het verdrietige verhaal van hem hoorde, zei hij:

"Het is heel eenvoudig. Je moet de naam van je restaurant veranderen."

"Onmogelijk", zei de waard. "Al generaties lang heet het 'Zevenster' en onder die naam is het overal bekend."

"Nee", zei de wijze, "noem het vanaf nu 'De vijf klokken', en hang boven de ingang zes klokken op."

"Zes klokken?" Dat is toch absurd. Wat moet dat betekenen?"

"Probeer het maar en bekijk het zelf", zei de wijze glimlachend en vertrok.

De waard waagde een poging en het volgende gebeurde: iedere reiziger die voorbij kwam ging naar binnen om de fout onder de aandacht te brengen, in de veronderstelling dat er nog niemand was die het bemerkte. En, eenmaal binnengekomen in het restaurant, kwamen ze onder de indruk van de vriendelijke ontvangst en bleven er om iets te nuttigen. Dat was de kans waar de waard zo lang op had gewacht. Er is niets wat het eigen ik meer behaagt, dan fouten van anderen te kunnen corrigeren.

zondag 6 februari 2022

De droom van de koning


De koning droomde dat hij al zijn tanden en kiezen had verloren. Meteen de volgende ochtend vroeg hij een droomuitlegger naar de betekenis van de droom.

"Ach, wat een ongeluk, heer!" riep de droomuitlegger. "Elke verloren tand betekent de dood van één van uw familieleden!"

"Wat!", riep de koning, rood van woede. "En dat durft jij tegen mij te zeggen! Maak dat je wegkomt!"

En de koning gaf het bevel de droomuitlegger vijftig stokslagen te geven. Terwijl de arme man zijn straf onderging werd een andere droomuitlegger voor de koning geleid, die intussen omgeven was door zijn gehele hofhouding. Nadat de tweede droomuitlegger de droom had gehoord hief hij als in vervoering zijn handen ten hemel en verkondigde:

"0, welk een geluk, mijn koning! U bent voorwaar gezegend!
U zult al uw verwanten overleven!"

Het gezicht van de koning klaarde onmiddellijk op
en vriendelijk zei hij:

"Ik dank je, mijn vriend voor deze heldere uitleg. Ga dadelijk naar mijn schatbewaarder en laat je vijftig goudstukken geven.
Je hebt ze verdiend.

Toen de droomuitlegger het paleis verliet,
fluisterde een hoveling hem in het oor:

"Zeg, je hebt tegen de koning toch eigenlijk niets anders gezegd
dan de eerste droomuitlegger?

Met een glimlach antwoordde de slimme man:

"Zo zie je, je kunt alles zeggen,
het hangt er alleen van af hoe je het zegt!"

Bron: Er was eens ... van Ramesh Balsekar.

zaterdag 5 februari 2022

Verlangen naar de zee


Taggert, een eenzame visser, was op een dag krabben aan het vangen tussen de rotsen. Hij bleef maar zoeken maar hij had slechts een paar beestjes te pakken gekregen.

Van de zware inspanning die hij die dag had geleverd was hij in slaap gevallen in de kajuit van zijn boot. Toen hij rond middernacht wakker werd, zag hij een mysterieuze dans in het maanlicht op het strand. Natuurlijk had hij wel al eens gehoord over Selkies in zijn stamcafé en kende de verhalen van deze verschijningen half mens half zeehond. Toch kon hij zijn ogen niet geloven.

Na een tijdje stopte de dans en keerde ze in koppeltjes van man en vrouw terug naar de zee. De vrouwen waren allen even mooi en lang met gouden haren. Hun ogen straalden kennis uit van zowel land als zee. Toen Taggert één van de Selkies beter bekeek werd hij verliefd op deze half mens half zeehond. Hij besloot vlug van één van de vrouwtjes hun zeehondenvel te pakken en zich stilletjes terug te trekken naar zijn kajuit.

Taggert kon zijn ogen niet geloven toen hij de zes koppeltjes hand in hand over het strand zag lopen. Ze stapten in hun vel en veranderde terug in een zeehond om terug te keren naar de open zee. Één Selkie slaagde er echter niet in om zeehond te worden. Ze vond haar vel dat Taggert al lang mee had genomen, maar niet. Taggert stapte zenuwachtig uit zijn boot en liet door zijn plotselinge verschijning de Selkie schrikken. Ze keek Taggert echter onverstoorbaar aan en vroeg met uitgestrekte armen gewoon haar vel terug.

Waarop Taggert zei:

"O schone vrouwe, ga niet terug naar de zee. Hier kan ik je alles geven alleen al omdat je zo mooi bent. Blijf hier bij mij en word mijn vrouw, trouw met mij".

De Selkie antwoorde echter:

"Ik kan niet lang aan land blijven, mijn huid word droog en zal barsten. Ik verlang naar de zee".

Maar Taggert bleef volhouden en uiteindelijk stemde zij erin toe om zeven jaar bij hem te blijven, tot de zee haar weer zou terugroepen.

Negen maanden later kregen ze een zoon. De jongen was sterk en gezond en moeder en zoon hielden zielsveel van elkaar. Toen de zeven jaar voorbij waren, vroeg de Selkie aan haar man haar huid terug.

"De zee roept me" zei ze droevig.

Droevig omdat ze evenveel van de zee hield als van haar zoon. Voor haar was het dus een moeilijke beslissing. Niet voor Taggert die alleen het beste voor zichzelf wou.

"Hoe kan je dat nu vragen? zei hij brutaal "Heb je ooit wel gehouden van mij als ik van jou?".

Ze verdedigde haar;

"Natuurlijk wel, maar kijk eens naar mijn huid! Het begint te drogen en te barsten. Kijk ook eens naar mijn ogen die al meer dan zeven tranen hebben gehuild. Als ik niet spoedig naar de zee terugkeer zal ik sterven".

Maar het enige wat Taggert kon zeggen was:

"Onzin!".

Hij sloeg de deur dicht en liep woedend naar zijn boot die hij sinds hij zijn Selkievrouw ontmoet had 'Ondine' had genoemd wat 'meisje uit het water' betekend.

Hun zoon, die de ruzie had gehoord, wist wat hem te doen stond. Hij keek net zo lang uit het raam totdat zijn vader helemaal uit het zicht verdwenen was. Hij liep naar de plaats waar zijn vader de huid had verstopt en kroop op kousenvoetjes terug. Met verbazing hoe de huid schitterde in het zonlicht, en hoe zacht het aanvoelde, gaf hij het met zijn strelende vingers terug aan zijn moeder.

"Hier, trek het snel aan voor hij weer terugkomt".

Hoewel zijn moeder wist dat haar zoon gelijk had keek ze aarzelend, door haar tranen door naar haar zoon. Ze zou hem missen ging het door haar hoofd. Toch volgde ze zijn advies op, en ze liepen naar het strand. Ze knoopte haar jurk open en liet hem vallen in het zand.

Opeens klonk er een woedende schreeuw achter hun. Toen ze zich omdraaide zagen ze rennende Taggert die "Nee!" riep. De zoon zag de blik in zijn moeders ogen.

"Ga met liefde, niet uit woede" zei hij met een liefdevolle blik.

Vlug stapte ze in haar huid, sprong in de zee, en zwom tot de golven haar overnamen. Na die dag zwom er elke avond een zeehond voorbij hun huis langs de kust, en bracht dan twee grote vissen mee. Taggert en hun zoon zaten elke avond buiten te wachten op die zeehond. Deze keek hen dan aan met grote donkere ogen waaruit telkens zeven tranen uit leken te druppelen.

Geschreven door Kim Troubleyn

donderdag 3 februari 2022

Laat je niet kisten



Een rijke oude Japanner wist dat hij niet lang meer te leven had. Deze miljonair had een gruwelijke hekel aan zijn zus en diens man. Zelf was hij nooit getrouwd geweest dus zijn erfenis, toch zo'n slordige 85 miljoen euro zou naar zijn zus gaan. Dit wilde de miljonair ten koste van alles voorkomen. Daarom bedacht hij een plan.

Nou had hij niet zo veel tijd meer en hierdoor vielen het opmaken van het geld en het doen van schenkingen af. Het Japanse recht heeft als voorwaarde dat een schenking boven de 100.000 yen minimaal een jaar voor een overlijden dient te worden gedaan, op straffe van nietigheid, omdat eventuele schuldeisers anders benadeeld zouden worden.

De man bedacht wat anders. Hij maakte een afspraak bij de notaris en de timmerman en twee weken laten stierf de multimiljonair.
De notaris liet de zus van de miljonair weten dat haar broer haar alles had nagelaten. Er waren echter twee voorwaarden aan de erfenis: ten eerste wenste de man op volle zee begraven te worden. Ten tweede mochten de details van het testament pas na de begrafenis op zee worden ingezien. Verder bleek uit het testament dat haar broer reeds de hele begrafenis vooraf had geregeld en betaald.

De volgende dag voer een gehuurde vissersboot de zee op en stopte na 50 mijl. De zeebodem was hier zo'n 6 kilometer diep. De kist, die per kraan op het schip was gehesen vanwege zijn zwaarte, gleed van de boot af en zonk onmiddellijk. De zus pinkte voor de vorm een traantje weg en haastte zich naar de notaris. Deze overhandigde het testament en toen ze het opende, zat er enkel briefje in waarop stond:

"Lieve zus,

De afgelopen twee weken heb ik al mijn geld van de bank gehaald en hiervoor platina gekocht. Hiervan heb ik een mooie kist laten maken en deze heb jij net te water gelaten. Veel succes met duiken.

Groeten, je broer."

maandag 24 januari 2022

Over drie vissen



Er leefden drie grote vissen in een meer die zeer goede vrienden waren. Ze waren alle drie heel verschillend van elkaar. De eerste geloofde in het lot. Hij dacht dat dingen niet veranderd kunnen worden en dat wat er moest gebeuren hoe dan ook zou gebeuren. De tweede was intelligent. Hij dacht met zijn intelligentie te weten hoe hij een probleem moest oplossen als hij er één had. De derde was de wijze. Lang en diep denkt hij na alvorens te handelen.

Dus op een dag was de wijze vis vrolijk aan het spelen in het water, toen hij vissers hoorde praten met elkaar. 

"Kijk eens, wat een grote vis ... Dit meer zit vol met grote vissen zoals deze. Laten we morgen komen om ze te vangen."

De wijze vis zwom haastig naar zijn vrienden om het nieuws te vertellen. 'Laten we uit dit meer gaan voordat die vissers terugkomen. Een kanaal dat ik ken, kan ons naar een ander meer brengen," zei de wijze vis.

De intelligente vis zei:
"Ik weet wat ik moet doen als de vissers me komen halen."

De vis die in het lot geloofde, zei: "Wat er ook gebeurt, ik ben in dit meer geboren en ik zal het niet verlaten."

De wijze vis wilde zijn leven niet riskeren,
dus nam hij het kanaal en ging naar een ander meer.

De vissers kwamen de volgende ochtend terug en wierpen hun net uit. De rest van de twee vrienden werd erin gevangen, samen met vele andere vissen.

De intelligente vis bedacht een manier om te ontsnappen, hij deed alsof hij dood was. De vissers gooiden hem samen met andere dode vissen terug in het meer. Maar de andere vissen die in het lot geloofden, sprongen nog steeds in het net
en zo werden ze gevangen door de vissers.

Moraal van het verhaal:
intelligentie wint van macht.

Van Panchatanthra

vrijdag 21 januari 2022

Drie levensvragen

De laatste Russische keizer Nicolaas 11

De tsaar aller Russen bezat alles
wat een mens zich maar wensen kon,
maar hij wist niet waarvoor hij leefde.
Drie vragen kwelden hem:

Wat moet ik doen?

Met welke mensen moet ik doen
wat God van mij verlangt?

Wanneer moet ik dat doen?

Na alle wijzen, alle geleerden te hebben geraadpleegd, hoorde hij over een boer, ergens ver weg, die hem misschien een bevredigend antwoord zou kunnen geven.

De tsaar ging meteen op reis en na vele weken kwam hij op het land van de boer aan. Deze keek nauwelijks op toen de tsaar zich tot hem richtte met zijn vragen. De boer gaf geen antwoord maar ging door met ploegen. De tsaar werd kwaad en zei:

"Weet je wel tegen wie je spreekt?
Ik ben de tsaar aller Russen."

Maar ook dit maakte geen indruk op de boer, die doorging met zijn werk. Plotseling kwam een zwaargewonde man het veld op gewankeld. Voor de ploeg viel hij neer. De boer zei tegen de tsaar:

"Help mij deze gewonde naar mijn hut te dragen."

"Ik zal je helpen," antwoordde de tsaar. 
"Maar geef je me dan antwoord op mijn vragen?"

"Straks," zei de boer,

en samen brachten zij de man naar de hut
en verbonden zijn wonden.

"Zeg je het me nu?" vroeg de tsaar.

"Je kunt naar huis," zei de boer.
"Je hebt de antwoorden gehad op je vragen:

Wat moet ik doen?

Wat op mijn weg komt.

Met wie moet ik het doen?

Met degenen die aanwezig zijn.

Wanneer moet ik het doen?

Op het moment dat het zich voordoet.

donderdag 20 januari 2022

De zin van stilte

The hermit, 1888
by Mikhail Vasilyevich Nesterov

De zin van Stilte

Er was een eenzame, wijze kluizenaar, die op een dag bezoek kreeg van enkele voorbijgangers. Nieuwsgierig vroegen ze hem naar zijn leven in de bergen en wat voor nut het leven in stilte had. De kluizenaar, die net met een emmer water haalde uit een meertje, stopte zijn werkzaamheden en zei:

'Kijk eens in het water. Wat zien jullie?'

De mensen tuurden naar het water en zeiden:

'We zien helemaal niets.'

Enige tijd later herhaalde de kluizenaar zijn vraag:

'Kijk nu nog eens. Wat zien jullie nu?'

De mensen keken weer en zeiden opgetogen:

'We kunnen in de weerspiegeling onszelf zien!'

'Dat is de kracht van de stilte,' legde de kluizenaar uit. 'Ik was water aan het scheppen, daarom was het water onrustig. Nu is het rustig en kunnen jullie jezelf erin zien. De stilte zorgt ervoor dat je jezelf kunt zien. Maar als jullie tijd hebben, wacht dan nog even.'

En zo zaten ze stil aan de waterkant van het meertje
tot de kluizenaar zei:

'Kijk nu nog een keer in het water.
En vertel me wat jullie zien.'

De bezoekers bogen zich over de rand van het meertje,
keken in het water en riepen uit:

'Nu zien we de stenen op de bodem!’

'Juist,' beaamde de wijze, 'als je maar lang genoeg wacht en op gaat in stilte, kun je de grond van alles aanschouwen.

maandag 17 januari 2022

De vogel en de stok


Er was eens een vogel die jarenlang zijn dagen doorbracht in een donkere kille ruimte. Elke dag werd er vele malen met een stok in zijn lijf geprikt en de vogel leerde zichzelf een manier aan waarop hij zich kon beschermen. Als hij de man met de stok voelde aankomen sloeg hij zijn vleugels beschermend om zich heen.

De vogel dacht:

Daar dienen vleugels natuurlijk voor, 
om jezelf te beschermen.

De vogel had nog nooit gevlogen, had zelfs de wereld buiten deze donkere kille ruimte nog nooit gezien. Wist niet dat zijn vleugels hem konden laten zweven boven alles en iedereen en dat, als hij zijn vleugels zou gebruiken, ontsnappen uit de ruimte tot één van zijn mogelijkheden behoorde.

Vele jaren leefde de vogel onder deze omstandigheden. Zijn vleugels zagen er, na al die jaren van mishandeling, verloren en verslagen uit. Op een dag kwam de man met de stok niet meer. De vogel wachtte de hele dag in spanning af, overtuigd als hij was dat de man zeker nog wel komen zou. Dagen werden weken, weken werden maanden. Bij elk geluid dat hij hoorde sloeg hij zijn vleugels beschermend om zich heen. Zijn eten kreeg hij van een andere hand, maar ook deze hand durfde hij niet te vertrouwen, ervan overtuigd dat geen enkele hand te vertrouwen was. De man met de stok had immers ook zo'n hand gehad. De vogel was zich er niet van bewust dat de tijd zijn vleugels prachtig mooi had hersteld en zijn veren blonken als nooit tevoren.

Op een dag maakte een hand een luik open, waardoor een felle lichtstraal de ruimte binnendrong. De vogel schrok intens, zijn ogen gilden het uit van pijn. De straal leek als een stok te prikken in zijn ogen en de vogel sloeg snel zijn beschermende vleugels om zich heen.

Zie je wel, dacht de vogel. Deze hand is ook niet te vertrouwen. Deze hand prikt niet met een stok in mijn lijf, maar heeft een straal die hij in mijn ogen laat prikken.

Als de vogel de hand van de straal voelde aankomen sloeg hij zijn vleugels alvast beschermend om zich heen. De hand van de straal kwam elke dag terug om het luik te openen en langzaam maar zeker raakte de ogen van de vogel gewend aan het licht. Vanonder zijn vleugels keek hij voorzichtig om zich heen. Hij begon dingen te onderscheiden en op een dag zag hij door het raam tegen een hemelsblauwe lucht een vogel zweven op de golven van de wind. De vogel keek vol verwondering en was jaloers op dit dier dat zichzelf boven alles uit kon laten stijgen. Dit dier maakte een ongekende nieuwsgierigheid in hem los en de vogel begon in stilte te verlangen naar de hand van de straal, zodat hij dit dier dat kon zweven bewonderen kon.

Op een dag probeerde een hand de vogel aan te raken. De vogel schrok enorm van deze hand en begon wild met zijn vleugels te klapperen. De vogel had nog nooit eerder met zijn vleugels geklapperd en was erg verbaasd over zijn eigen kracht. Met zijn vleugels had hij de hand verjaagd.

Daar zijn mijn vleugels dus ook voor gemaakt, 
om handen weg te jagen.

dacht de vogel.

De hand kwam elke dag terug om hem aan te raken en de vogel begon al te klapperen met zijn vleugels als hij de hand van de aanraking voelde aankomen. De vogel wist niet dat de hand op deze manier zijn vleugels probeerde aan te sterken, zodat ze op een dag krachtig genoeg zouden zijn hem te dragen.

Op zekere dag kwam de hand van de aanraking en pakte de vogel vast. De vogel kon niet meer klapperen met zijn vleugels, want zijn vleugels waren gevangen genomen door twee handen. De vogel was totaal in paniek, zijn hart bonkte luid en snel en hij was ervan overtuigd dat zijn laatste uur was geslagen. Al die tijd hadden zijn vleugels hem beschermd, tegen de hand met de stok, tegen de hand van de straal en tegen de hand van de aanraking. Nu bezat hij niets meer. Niets meer om zich mee te beschermen. De vogel bewoog zich niet, zijn angst verlamde hem, en hij zag geen andere keus dan zich over te geven aan zijn lot.

De handen brachten de vogel naar het raam dat open stond. Even later voelde de vogel dat de handen hem loslieten en een moment later suisde de wind langs hem heen. Uit angst begon de vogel met zijn vleugels te klapperen in een poging de wind te verjagen. Zijn slagen waren krachtig en het volgende moment zweefde de vogel ... op de machtige golven van de wind. Hij opende zijn ogen en zag de hemelsblauwe lucht en de wereld die onder hem lag.

De vogel voelde zich vrij. Het was een welhaast hemelse vrijheid. Hij voelde zich vrij van angst, vrij van alle banden die hij had verkregen bij zijn geboorte. Hij besefte dat hij in staat was boven alles uit te stijgen en dat niet elke hand een hand der pijn was. Hij besefte eveneens dat hij al zijn ervaringen nodig had gehad om zijn vrijheid op deze manier te kunnen ervaren.

Vanaf dat moment was de vogel niet zomaar een vogel meer. Het was een wijze vogel geworden. Een vogel wiens innerlijke kennis en wijsheid was doorvoeld en doorleefd.

zondag 16 januari 2022

De maiskorrel



Op een ochtend werd de koning wakker en bedacht dat er in zijn familie geen jongen was die zijn ambt zou kunnen overnemen als hij stierf. Hij was namelijk de laatste mannelijke telg van een koninklijke familie in een traditie waar alleen een man de troon mocht bestijgen – en hij was al oud. Toen besloot hij om een zoon te adopteren die dan zijn opvolger kon worden. Maar hij wilde dat deze aangenomen zoon een bijzonder mens zou zijn. Daarom organiseerde hij een wedstrijd voor alle jongens in zijn rijk, ongeacht hun afkomst. Er bleven tenslotte tien jongens over die niet veel van elkaar verschilden wat betreft intelligentie en lichamelijke kracht.

De koning zei tegen hen:

'Ik heb voor jullie een laatste proef en wie die proef doorstaat wordt mijn zoon en zal de troon erven.'

En hij vervolgde:

'In dit koninkrijk leven de mensen voornamelijk van de landbouw. Een koning moet dus weten hoe je planten cultiveert. Hier is voor ieder van jullie een maiskorrel. Neem hem mee naar huis, plant hem en verzorg hem drie weken lang. Na drie weken zullen we zien wie het beste werk heeft geleverd en wie mijn opvolger zal zijn. 'De jongens namen de maiskorrel en gingen naar huis. Allen hadden een pot gekregen en zodra ze thuis waren, plantten zij de korrel daarin.



Er heerste grote opwinding in het rijk, want de mensen waren nieuwsgierig wie hun volgende koning zou worden. Maar in één huis waren een jongen en zijn ouders verdrietig, omdat de maiskorrel ondanks een paar dagen goede verzorging niet was gaan groeien. De jongen snapte niet wat er met zijn korrel aan de hand was. Hij had de aarde zorgvuldig uitgezocht en hij had de juiste hoeveelheid mest genomen en de aarde vochtig gehouden. Dag en nacht sprak hij een gebed uit voor de korrel, maar er gebeurde niets. Enkele vrienden raadden hem aan om op de markt een nieuwe maiskorrel te kopen en die te planten.

'Hoe kun je nu de ene maiskorrel van de andere onderscheiden?' zeiden ze. Zijn ouders hadden hem echter geleerd wat eerlijkheid was en zeiden:

'Als de koning wil dat je zijn maiskorrel plant, moet je niet zelf een maiskorrel kopen. Als je een andere korrel plant dan die je van de koning kreeg, is dat oneerlijk. Misschien ben je niet voorbestemd om koning te worden. En als dat zo is, accepteer dat dan en wees niet iemand die de koning bedriegt.'

De grote dag kwam en de jongens droegen trots hun potten met kleine maisplanten naar het paleis. Het was wel duidelijk dat de andere jongens meer succes hadden gehad met hun planten.



De koning ging langs de rij verwachtingsvolle jongens
en vroeg ieder van hen:

'Komt dit uit de korrel die ik je gegeven heb?'

Iedere jongen zei:

'Ja, majesteit!'

De koning knikte en ging verder langs de rij. Toen kwam de koning bij de laatste jongen in de rij. Die trilde van angst. Hij wist zeker dat de koning hem in de gevangenis zou gooien, omdat hij de korrel verkwist had.

'Wat heb jij met de korrel gedaan die ik je gegeven heb?'

vroeg de koning aan de jongen.

'Ik heb hem geplant en er goed voor gezorgd, majesteit,
maar hij wilde niet groeien,' 

antwoordde de jongen in tranen,
terwijl de anderen hem uitjouwden.



De koning hief zijn handen op en vroeg om stilte. Toen zei hij: 

'Mijn volk, hier is uw nieuwe koning.'

Allen waren in verwarring. Waarom hij? vroegen ze zich af. Hoe kon hij nu de juiste zijn? Nadat de koning met de jongen naast zich op zijn troon had plaatsgenomen, zei hij:

'Ik gaf aan deze tien jongens gekookte maiskorrels. De proef was niet bedoeld om mais te planten. Het was een karaktertest, een eerlijkheidstest. Als een koning één eigenschap moet hebben dan is het wel om boven oneerlijkheid te staan. Alleen deze jongen heeft de test doorstaan, want een gekookte maiskorrel kan niet groeien.'

Naar een Afrikaanse vertelling:
'Le roi et la graine' (par Karadié}

donderdag 23 december 2021

Het verhaal van Pandora



Het verhaal van Pandora

Heel, heel lang geleden, in het oude Griekenland, waren de mensen nooit ongelukkig, nooit ziek en nooit boos op elkaar. Iedereen was rijk. Er was genoeg eten en te drinken en alle mensen droegen prachtige kleren en woonden in mooie huizen. En omdat alle mensen het even goed hadden, waren ze nooit jaloers op elkaar. De vrouwen maakten nooit ruzie met hun man en de mannen nooit met hun vrouw. Ook Pandora en haar man Epimetheus waren heel gelukkig. Een onaardig iemand zou misschien zeggen dat Pandora een verwende vrouw was. Maar omdat er geen onaardige mensen waren, werd dat nooit gezegd. Epimetheus vond het heerlijk om zijn vrouw te verwennen. Elke dag nam hij een geschenk voor haar mee. Een jurk, nieuwe schoenen, een sieraad of bloemen. Maar omdat Epimetheus steeds iets anders wilde meebrengen, moest hij steeds verder van huis om wat voor Pandora te zoeken. En dan was Pandora urenlang alleen in huis en verveelde ze zich.

Op een dag kwam Epimetheus thuis met een groot vierkant pak, waar een linnen doek omheen was geknoopt. Hij haalde het doek eraf en Pandora zag een stoffige oude doos met een gouden koord eromheen. "Wat zit er in die doos?" vroeg Pandora "Is die doos voor mij?" "Nee, Pandora," antwoordde Epimetheus. "Mercurius, de god van de kooplieden, heeft me gevraagd deze doos voor hem te bewaren. Ik heb hem moeten beloven dat ik de doos nooit open zal maken. En hij zei dat ik er spijt van zou krijgen als ik het toch zou doen." "O, laat me alsjeblieft kijken. Heel even maar," smeekte Pandora. Maar Epimetheus zei dat het absoluut niet mocht. "Ik wil Mercurius niet boos maken," zei hij streng.

De volgende dag was Pandora weer alleen thuis. Ze kon alleen nog maar aan de doos denken. Ze liep er steeds naartoe en streek met haar vingers over het gouden koord. "En toch wil ik weten wat er in die doos zit," dacht ze. "Ik denk dat Epimetheus een grapje met me wil uithalen. Die doos is vast voor mij. Maar als dat niet zo is... Nou ja, ik doe het toch... ik heb Mercurius niet beloofd dat ik niet in de doos zou kijken." En Pandora begon de knoop in het gouden koord los te maken. Maar ineens durfde ze toch niet verder.

De hele ochtend deed ze allerlei kleine karweitjes in huis. Maar toen het middag werd, kon ze zich niet langer inhouden. Ze maakte het koord los... Pandora hoorde een zacht zoemend geluid. Het kwam uit de doos... het leek wel of een vlinder met zijn vleugels ergens tegenaan sloeg. "O, het is vast een klein diertje," zei Pandora. "Dat kan ik toch niet in die doos laten zitten!" Ze tilde de deksel van de doos en zag een stenen kruik. De kruik was goed afgesloten met een laagje helder rode lak. "Als ik de lak eraf haal," dacht Pandora, "ziet Epimetheus dat ik in de doos heb gekeken." Ze deed de deksel gauw terug op de doos, knoopte het gouden koord weer vast en probeerde niet meer aan de kruik te denken.

Maar dat bleek moeilijker dan gedacht. Pandora liep rusteloos door de kamer. En toen hield ze het niet langer uit. Ze maakte de doos open en veegde het stof van de kruik. "Pandora! Pandora! Laat ons er alsjeblieft uit!" hoorde ze een heleboel kleine stemmetjes in de kruik zeggen. Pandora beet op haar lippen "Ik mag het niet doen!" zei ze. "Epimetheus heeft met gezegd..." "Epimetheus begrijpt er niets van," zeiden de stemmetjes. "Laat ons er alsjeblieft uit, de wereld heeft ons nodig."

Pandora probeert de doos terug dicht te krijgen

Pandora was zo nieuwsgierig geworden, dat ze met haar nagels de lak van de kruik begon te krabben. Onder de lak zat een kurk. Pandora trok eraan en de kurk schoot eraf. En toen... gebeurde er iets verschrikkelijks. Uit de kruik kwam een grote zwarte wesp te voorschijn. Uit zijn angel druppelde vergif. En hij zoemde: "Ik ben de Dood!" Pandora werd heel bang. Toen zag ze dat er nog een beest uit de kruik kwam vliegen. "Ik ben de Angst," zoemde het beest. Daarna kroop er een kever uit de kruik. "En ik ... ik ben de Ziekte," zei de kever. En na de kever vloog er een mug uit de kruik. Hij vloog het raam uit, de tuin in. En overal waar de mug ging zitten, begon meteen onkruid te groeien. "Ik ben de Honger!" hoorde Pandora de mug zoemen.

Pandora probeerde wanhopig de kurk in de kruik terug te doen, maar een grote bij prikte met zijn angel in haar vinger en riep: "Je kunt ons niet meer tegenhouden. Wij zijn de slechte dingen die de mensen nog niet kennen. Wij zijn gestuurd door de boze goden, die jaloers zijn op jullie geluk. Ik ben de Ouderdom!" Pandora keek in een spiegel en zag dat haar mooie gezicht vol rimpels zat. En haar prachtige zwarte glanzende haren waren helemaal grijs geworden. Er kwamen nog vier insecten uit de kruik tevoorschijn. Eén insect zei dat hij de Winter was. Hij blies naar Pandora en ze begon te rillen van de kou. De andere drie insecten dat ze Armoede, de Boosheid en de Jaloezie waren.

Even later kwam Epimetheus thuis. Alle insecten vlogen op hem af en gingen op zijn hoofd zitten. Epimetheus begreep onmiddellijk wat er gebeurd was. Hij liep naar de kamer waar Pandora bevend van angst op de grond lag. Boos trok hij haar overeind. "Je bent een slechte vrouw," schreeuwde hij. "En niet alleen slecht, maar ook ongehoorzaam en dom. Ik heb toch gezegd dat je de doos niet open mocht maken. Waarom heb je niet naar me geluisterd?" Pandora had haar man nog nooit boos gezien. Ze voelde de tranen in haar ogen branden en voor het eerst van haar leven begon ze te huilen. Want er wat intussen weer een insect ontsnapt, de vlieg van het Verdriet. Door het open raam kwamen akelige geluiden naar binnen. De mensen op straat vochten met elkaar, sommige huilden en anderen schreeuwden van angst.

Het leek wel of de hele mooie, gelukkige wereld lelijk en ongelukkig was geworden. Pandora deed de kurk terug in de kruik. Maar op dat ogenblik hoorde ze een heel klein stemmetje zeggen: "Pandora! Pandora! Laat me niet alleen in de kruik. De wereld heeft me nodig!" "Nee!" huilde Pandora. "Ik laat je er niet uit. Jij bent natuurlijk ook zo'n lelijk beest." "Maar ik kan je helpen, Pandora. Laat me er toch uit! zei het stemmetje. Het klink bijna net zo verdrietig als Pandora zichzelf voelde. En Pandora nam de kurk weer uit de kruik. Er vloog een heel klein insect uit de kruik, een klein wit motje. Het motje ging op haar gezicht zitten en ineens voelde Pandora zich weer een beetje blij. "Wie ben jij?" vroeg ze. "Ik ben de Hoop," zoemde het kleine beestje. "Ik denk dat ik maar meteen aan het werk ga."

En het motje vloog naar buiten de tuin in. Het werd meteen lente in de tuin. Toen vloog het motje verder de wereld in en droogde de tranen van de huilende mensen. Voordat het motje het raam was uitgevlogen had hij heel even met een vleugel langs de wang van Epimetheus gestreken. "Zal de wereld het mij ooit kunnen vergeven?" vroeg Pandora aan haar man. Daarna glimlachte hij en zei zachtjes: "Laten we dat maar hopen!"

zaterdag 18 december 2021

Kerst verhaal van een spar die een echte kerstboom werd


"Het kerst verhaal gaat over een prachtige spar die in een groot bos stond. Het was bijna Kerstmis. Midden in een groot bos stond een prachtige spar. Zijn takken zaten vol met mooie, groene naalden en hij was zo dicht begroeid, dat de vogels graag tussen zijn takken kwamen schuilen als het in de winter berenkoud was. De spar vond dat wel gezellig. 's Winters was het toch al zo leeg en kaal in het bos. Alle loofbomen waren hun bladeren kwijt en stonden met kale takken te rillen in de wind. Ze hadden nergens aandacht voor en hadden het te koud om met de spar te praten. Als de vogels tussen de groene takken van de spar kwamen schuilen, voelde die zich tenminste niet zo alleen.


De spar was al heel oud


De spar stond al heel lang in het grote bos. Hij wist niet eens meer, hoe oud hij eigenlijk wel was. Soms kwamen er wel eens houthakkers. Die hakten met hun grote bijlen scheef gegroeide bomen om, of bomen die veel te groot of veel te oud en ziek werden. Als ze omgehakt waren werden ze in stukken gezaagd en op grote vrachtwagens het bos uitgereden.
Op een dag in de winter, toen het al bijna Kerstmis was, kwam er een auto het bos in rijden. Het was maar een gewone auto met een karretje erachter. Er lag een spa in de kar.

"Hè, gelukkig," dacht de spar. "Het is geen houthakker," want voor houthakkers was de spar een beetje bang. Hij had immers nog geen zin om omgehakt te worden. Hij vond het nog veel te fijn in het bos.

De man begon te graven


Maar wat was dat? De auto bleef vlak bij de spar stilstaan en reed niet verder. De motor werd afgezet en een man stapte uit. Hij nam de spa uit de kar en liep naar de spar. Daar begon hij de grond rond de wortels weg te halen. De spar keek verwonderd naar beneden. Hij kreeg er koude voeten van. Hij werd niet omgehakt, maar uitgegraven. Zou die man hem soms gaan verplanten? Maar waar ging hij dan naar toe? Ongerust keek hij in het rond. Wacht eens! Daar schoot hem iets te binnen. Vorig jaar had een kleine den hem eens een verhaal verteld over bomen die de mensen in hun tuinen haalden. Daar was heerlijk om te staan. Het was er niet zo koud als in het bos en in de zomer was er ook veel meer te zien. Er speelden kinderen in die tuinen en als het erg warm was zaten ook de grote mensen er te lezen, vierden er feestjes en stookten er de barbecue. Ha, misschien zou hij ook wel in zo’n tuin gezet worden. Dat zou heerlijk zijn!


De spar kreeg het koud


Foei, wat was de lucht koud aan zijn wortels. Als die man nu maar opschoot, zodat hij snel weer ergens anders in de grond gezet werd. Toen de spar zachtjes heen en weer wiegde vlogen de vogels verschrikt op uit zijn takken.Op een dag kwam er een auto naar het grote bos.

Tja, de meesten van hen moesten nu een andere schuilplaats gaan zoeken. De man pakte de stam van de spar vast en bewoog hem voorzichtig, totdat de wortels uit de grond waren. De spar werd opgetild en achter in de kar gelegd.

"Brrrrrrrr," bibberde de spar. Nu was het toch wel erg koud aan zijn voeten. De man stapte in de auto en reed met de kar achter hem aan weg. Het bos uit. Na een poosje kwamen ze bij een groot huis aan. Daar stopte de auto. De deur van het huis ging open en er kwamen drie kinderen naar buiten gerend.

"Oh, pappa, wat heb je een mooie boom gevonden!" riepen ze uit.

"Ja," zei hun vader, "dat is nu de boom die ik van de boswachter mocht hebben. Hij paste niet meer tussen de andere bomen en had in het voorjaar toch gekapt moeten worden." Hij haalde de spar uit de kar en zette hem rechtop tegen de muur van het huis.

Ziezo!


Nu kon de spar de prachtige tuin in kijken. Hij zocht met zijn ogen naar een plaatsje waar een gat gegraven moest zijn. Een gat, waar zijn wortels in zouden passen, maar hij vond er geen. "Misschien moet er nog een nieuw gat gegraven worden," dacht de spar en hij fronste ongerust zijn voorhoofd. De man liep naar de schuur en haalde er een grote bak uit. Die vulde hij met grond uit de tuin. Daarna pakte hij de spar bij de stam en zetten hem in de bak.
Dat vond de spar echter helemaal niet leuk


Wat deed die man toch met hem? Zo’n bak was toch niet goed genoeg voor zijn wortels? Daar konden ze helemaal niet meer in groeien! Het werd zelfs nog gekker! De tuindeuren van het huis gingen open en de spar werd met bak en al naar binnen gedragen.
"He! Wat doen jullie nu? Laat me alsjeblieft buiten! Ik ben een boom! Geen kamerplant," riep de spar verschikt uit, maar de mensen verstonden de spar niet. Ze hoorden alleen de takken ruisen en roken de heerlijke frisse lucht. De man zette de spar in een hoek van de kamer neer. Bah, wat was het hier warm! Zoveel warmte was de spar in de winter helemaal niet gewend. Hij kreeg er meteen dorst van. Ha, gelukkig kwam de kleinste jongen al met een gieter water en goot die helemaal leeg in de bak. Nu kon hij tenminste weer drinken.


De spar kreeg lampjes in de takken

De spar was daar zo druk mee bezig dat hij helemaal niet merkte dat er allemaal lampjes in zijn takken gestoken werden, maar toen de eerste kerstballen aan zijn takken gehangen werden, begon hij opgewonden te ritselen. Wat waren die zilveren ballen mooi! Zouden al die ballen in de dozen op de tafel voor hem zijn? Wat prachtig! Van opwinding vergat hij de warmte in de kamer. Met een plezierig gevoel liet hij zich volhangen met kerstballen, vogeltjes, klokjes, kerstengeltjes en zilveren slingers. Toen hij eindelijk klaar was hoorde hij het meisje zeggen: "Oh, pappa, dit is de mooiste boom die we ooit gehad hebben." Daar werd de spar zo blij van, dat hij zijn takken nog verder uitspreidde en zijn top nog hoger naar het plafond van de kamer strekte. Het was gezellig in de kamer. Er brandden kaarsen en de lampjes op zijn takken gaven een zacht licht.


Een mooi kerst verhaal en kerstliedjes

Die avond vertelde de moeder van de kinderen een prachtig kerst verhaal en daarna zongen de kinderen kerstliedjes. Zo mooi, dat de spar er tranen van in de ogen kreeg. Hij vond het helemaal niet erg meer dat hij niet in de tuin gezet was, maar in de huiskamer een plaatsje gekregen had. In het bos had hij wel eens verhalen gehoord over sparren die prachtig versierd tijdens de Kerstmis bij de mensen in de huizen gezet werden, waar de mensen het kerstfeest vierden, maar die verhalen had hij eigenlijk nooit geloofd. Bomen horen toch niet in de huizen, maar daarbuiten thuis. Het was dus echt waar!


De spar kreeg elke avond
een prachtig kerst verhaal te horen

Twee weken bleef de spar in de huiskamer staan. De eerste dagen vond hij het nog heerlijk. Het kerstfeest met al die liedjes en kerst verhalen vond hij prachtig, maar hoe langer hij in de kamer stond, des te warmer kreeg hij het ervan. Wel kreeg de spar elke dag een volle gieter water, maar dat was eigenlijk niet genoeg. Na nog een paar dagen begonnen zijn takken wat naar beneden te hangen, want die mooie kerstballen waren toch wel erg zwaar. Eindelijk werden de dozen weer van de zolder gehaald en de kerstballen werden een voor een afgestoft en weer opgeborgen. Opgelucht haalde de spar adem. Hij bewoog voorzichtig zijn takken. Hè, gelukkig waren ze alleen een beetje moe, maar er was niets kapot. De tuindeuren werden open gezet en de spar werd met bak en al naar buiten gedragen. Angstig dacht de spar: "Als ze me nu maar niet weggooien! ...

De spar mocht in de tuin

Maar dat gebeurde gelukkig niet. De man haalde de spa uit de garage, groef een diep gat op een open plek in de tuin. Tot grote blijdschap van de spar werd hij uit de bak gehaald en in het gat gepoot. Daarna werden zijn wortels toegedekt met een flinke berg grond, zodat die het niet meer koud hadden. De spar zuchtte diep. Dit was nu net, wat hij altijd al graag gewild had. Midden in een grote tuin staan. Wat was het hier heerlijk. En zo fris! Na die warme kamer kon de spar weer voluit adem halen. Hij keek de tuin rond. Wat was die groot. Kijk, daar stond een grote eik, die hem vriendelijk toeknikte. Een eindje verder stond een den, die ondeugend naar hem knipoogde en helemaal bij de garage stond een kleine kersenboom te rillen in de winterkou en niesde: "Ha, ha, ha, hatsjie! Hallo!"

De spar werd een thuis
voor heel veel vogeltjes

"Ik ben blij dat jij er bent," riep de den. "Ik heb al lang geen plaats meer voor alle vogels die tussen mijn takken komen schuilen. Nu kan in elk geval de helft naar jou toe, als je dat goed vindt." Tegelijk schudde de den zijn takken. Meteen vlogen er een heleboel vogels uit. De spar hield zijn takken ver van elkaar, zodat ze er gemakkelijk tussen konden komen. "Ja, hoor," riep hij naar de den, "ik ben in het bos ook altijd een goede schuilplaats voor de vogels geweest en dank jullie wel dat jullie allemaal zo vriendelijk voor mij zijn. Ik zal het hier heel fijn vinden en ik voel me nu al thuis."

Vanaf die dag bleef de spar in de tuin
en was er zijn leven lang heel gelukkig.

Bron: Anneke Cornelissen.nl/het-kerst-verhaal/

maandag 13 december 2021

Een witte kerst



Er was eens een man die het kerstfeest grondig wilde vieren. Hij haalde een laddertje uit de schuur en spande langs het plafond de rode papieren slingers die daarvoor garant zijn. Aan de lamp hing hij één van die rode bellen, die opgevouwen weinig lijken, maar naderhand nog aardig meevallen. Toen dekte hij de tafel. Hij had hiervoor urenlang over drie winkels verdeeld in de rij gestaan, maar het zag er dan ook goed uit. Naast elk bord stak hij ten slotte een kaarsje aan, waarvan je er tien in een doos koopt, en klapte in zijn handen. Dit was het teken om binnen te komen. Zijn vrouw en kinderen, die al die tijd in de keuken elkaar met een verlegen glimlach hadden aangekeken, kwamen bedremmeld binnen.

"Nee maar," zeiden ze, "dat had je niet moeten doen."

Maar omdat hij het toch gedaan had gingen ze blij zitten
en keken elkaar warm aan.

"En nu gaan we niet alleen smullen," zei de man, "we moeten ook beseffen wat er nu eigenlijk gebeurd is."

En hij las voor hoe Maria en Jozef alle herbergen afliepen, maar nergens was er plaats. Maar het kind werd ten slotte toch geboren, zij het in een stal. En toen begonnen ze te eten, want nu mocht het, al was er dan veel ellende in de wereld.

"Kijk," zei de man "dat is nu Kerst vieren en zo hoort het eigenlijk." En daarin had hij gelijk. En zij verwonderden zich over de hardvochtigheid van al die herbergiers, maar het was ook tweeduizend jaar geleden moet je denken, zo iets kwam nu niet meer voor. En op dat ogenblik werd er gebeld. De man legde de banketstaaf die hij juist aan de mond bracht, verstoord weer op zijn bord.

"Dat is nu vervelend," zei hij, "er is ook altijd wat." Hij knoopte zijn servet los, sloeg de kruimels van zijn knie en slofte naar de voordeur.

Er stond een man op de stoep met een baard en heldere, lichte ogen. Hij vroeg of hij hier ook schuilen mocht, want het sneeuwde zo. Het was namelijk een witte Kerst, dat heb ik nog vergeten te zeggen, hoe kan ik zo dom zijn. De beide mannen keken elkaar een ogenblik zwijgend aan en toen werd de één door een grote drift bevangen.

"Uitgerekend op Kerstmis," zei hij, "zijn er geen andere avonden." En hij sloeg de deur hard achter zich dicht. Maar terug in de kamer kwam er een vreemd gevoel over hem en de tulband smaakte hem niet. "Ik ga nog eens even kijken," zei hij, "er is iets gebeurd, maar ik weet niet wat."

Hij liep terug naar de stoep en keek in de warrelende sneeuw. Daar zag hij de man nog juist om de hoek verdwijnen, met een jonge vrouw naast zich, die zwanger was. Hij holde naar de hoek en tuurde de straat af, maar er was niemand meer te zien. Die twee leken wel in de sneeuw te zijn opgelost. Want het was, zoals gezegd, een witte Kerst. Toen hij weer in de kamer kwam zag hij bleek en er stonden tranen in zijn ogen.

"Zeg maar even niets," zei hij, "die wind is wat schraal, het gaat wel weer over." En dat was ook zo, men moet zich over die dingen kunnen heen zetten. Het werd nog een heel prettig Kerstfeest, het was in jaren niet zo echt geweest. Het bleef sneeuwen, de hele nacht door en zelfs het kind werd opnieuw in een schuur geboren.

Uit: "Sprookjes van Godfried Bomans"

donderdag 9 december 2021

Een kerstverhaal


De keizer was een lastige keizer. Nukkig, driftig en schreeuwerig.

Het jaar daarvoor wilde hij Kerstmis al in oktober vieren, met een kerstboom die iets heel bijzonders moest zijn. Daartoe hadden de lakeien een danseres als boom opgetuigd en het arme meisje heeft zo de hele avond doodstil op één been moeten staan. Wat zou het dit jaar worden? Gelukkig niets in oktober. Niets in november, nog niets op tweeëntwintig december. Maar toen, op de avond van de vierentwintigste, beukte de keizer met zijn zware gouden kroon op de eikenhouten tafel en riep:"Ik wil het kerstverhaal horen!"

"Maar Sire," antwoordde de eerste lakei bevend,
"dat kent u toch al?"

"Kennen?" riep de keizer, "kennen? Ik wil het horen!"

"Pardon Sire, welk kerstverhaal bedoelt u eigenlijk?"
vroeg de tweede lakei onderdanig.

"Versta je me niet?" schreeuwde de keizer.
"Het kerstverhaal zei ik."

"Maar-maar-maar welk is hèt-hèt-hèt?"
stotterde de derde lakei lijkbleek.

De keizer smeet zijn gouden kroon op de spiegelgladde vloer, zodat het ding kletterend door de zaal vloog en in een hoek tegen het gordijn plofte. "Ga het zoeken!" bulderde de keizer. De lakeien vlogen naar de hoek, raapten gedrieën de kroon op en kwamen er op een deftig drafje mee aanzetten. "Ik bedoel het verhaal," schreeuwde de keizer, purper van woede. "Zoek het kerstverhaal en vertel het me. Onmiddellijk. Mars."

De lakeien zetten de kroon neer en verlieten achteruitlopend de zaal, diepe buigingen makend, zodat ze buiten in de gang over elkaar heen vielen.

"Phoe," sprak de eerste. "Boe," sprak de tweede. "Foei, foei, foei," stotterde de derde. Daarop begaven ze zich naar de keizerlijke bibliotheek en begonnen in alle kerstboeken te bladeren om hèt kerstverhaal te vinden.

Een uur later klopte de eerste lakei bescheiden aan de deur van de troonzaal en trad binnen. Hij plaatste een gouden krukje met geborduurde zitting op enige afstand van de troon, ging erop zitten, sloeg een groot boek open en legde het op zijn satijnen knieën.

"Houd op met al die poespas en begin!" beval de keizer.

De lakei zette een lorgnet op de neus en begon statig te lezen:

"Het was een bitter koude nacht. De sneeuw viel in dikke vlokken omlaag en het vroor dat het kraakte. Over het eenzame bospad liep een rendier en trok hijgend een zware slee, waarop de kerstman ..."

"Kwatsch!" riep de keizer. "Ik wil kerst en geen kerstman.
Ga in de hoek staan."

De eerste lakei verloor zijn deftigheid niet. Hij legde het boek neer, nam zijn lorgnet af, stond op en schreed met waardige passen naar een hoek van de zaal waar hij in de houding ging staan, met zijn neus in het gordijn.

Enkele minuten later klopte de tweede lakei aan, trad binnen, ging op het krukje zitten, sloeg zijn boek open en begon te lezen:

"Er was eens een boompje dat had groene blaadjes die in de herfst rood werden en daarna geel en tenslotte afvielen. Toen werd het boompje toch zo treurig. Het dacht: had ik toch naalden, dan zou ik in de winter niet kaal zijn en een kerstboom kunnen ..."

"Kwatsch!" riep de keizer. "Ik wil kerst en geen kerstboom.
Ga in de hoek staan."

Ook de tweede lakei stond gehoorzaam op
en liep naar de tweede hoek.

Daarop verscheen de derde lakei. Hij had een klein stoffig boekje gevonden: hij bleef staan en begon meteen voor te lezen:

"Lang ge-geleden leefde er eens een boe-boerenzoon en die had in zijn hoe-, hoe-, hoenderstal een heleboel dieren. Maar toen het december was, dacht hij ineens: ik heb geen kerst-, geen kerst-, geen kerst-"

"Ah," sprak de keizer. "Net als ik. Dat begint er op te lijken.
Ga door."

"Geen kerst-, geen kerst-, geen kerstgans."

De keizer werd paars. "In de hoek," brulde hij. En ook de derde lakei ging stram in de hoek staan, met zijn neus tegen het schilderij van de vorige keizer.

Toen werd de lijfwacht opgetrommeld. De kapitein verscheen aan het hoofd van zijn manschappen; stelde zich op voor de troon, salueerde en sprak:

"Present Majesteit."

"Ik wens het kerstverhaal," beval de keizer.
"Ga het onmiddellijk zoeken."

"Het kerstverhaal zoeken," antwoordde de kapitein,
"jawel Majesteit."

Hij salueerde opnieuw en marcheerde met zijn mannen de troonzaal uit. Nu doorzocht de lijfwacht het gehele paleis. Niet alleen de bibliotheek maar ook alle verdere vertrekken en ook alle kamers. Van de hofdames, van de poetsknechten, van de vaatwas meiden, van de kamerdienaren, van de koks en van de stalmeesters, werden de kamers doorzocht. Alle boeken waar een kerstverhaal in stond, werden verzameld en in optocht naar de keizer gebracht.

"Lees voor," snauwde de keizer.

De kapitein salueerde en begon in het eerste boek. Maar dat verhaal ging over een kerstpudding en de keizer rukte de kapitein het boek uit de handen en smeet het tegen de muur. De kapitein salueerde en nam het volgende verhaal. 'De kerstkrans' heette dat en de keizer schopte het boek tegen het plafond. Zo ging het maar door. De kerstroos, de kerstkaars, de kerstman, alle boeken werden door de keizer weggesmeten.

"Namaak! Ik wil het echte, ga het zoeken, onmiddellijk.
Ik wens het vanavond te horen!"

"Vanavond te horen," antwoordde de kapitein en marcheerde saluerend weg. Maar in de deur botste hij tegen de oude keukenmeid en die riep:

"Waar blijven de lakeien om de soep op te dienen?"

"Soep," bulderde de keizer. "Wie durft daar over soep te spreken? Ik wil geen soep. Ik wil het kerstverhaal!"

De oude keukenmeid kon niet lezen of schrijven. Ze droeg een vette voorschoot, ze had glimmende wangen
en dikke ronde armen.

"Nou, nou," zei ze, "het kerstverhaal." Ze waggelde naar voren. "Bedoelt u Maria en Jozef in de stal met het kind in de kribbe en de herders er omheen?" vroeg ze.

"Aha," zei de keizer, "vertel het me!"

"Nou," zei de keukenmeid, "dat ... kent u toch zeker?"

"Vertel het me," brulde de keizer en de lijfwacht drukte de keukenmeid op het gouden krukje met de geborduurde zitting.

"Nou, Maria en Jozef moesten naar Bethlehem," begon de dikke meid bevend. "Maar het was overal vol en zo kwamen ze in de stal en daar kreeg zij haar kindje en ze legde het in een kribbe op een beetje stro want ze had niets anders en toen kwamen de herders en toen ..."

"En toen?" vroeg de keizer.

"Nou toen ... toen niks," stamelde de keukenmeid.

"Dat is 't."

"Het hele verhaal?" riep de keizer. De keukenmeid knikte. "Lijkt nergens naar!" schreeuwde de keizer. "Ga in de hoek staan!" De keukenmeid ging in de vierde hoek van de zaal staan met haar neus tegen de scheurkalender. "Zoek een andere verteller!" beval de keizer schreeuwend. "Onmiddellijk Mars."

De lijfwacht marcheerde weg en kwam even later terug met een hofdame, die dadelijk ging zitten en begon te vertellen. Ze had een mooie stem en weidde lang uit over de mooie blauwe sjerp van Maria en het prachtige gezang van de engelen. "En het kindje lachte zo lief," sprak ze. "En toen?" vroeg de keizer. De hofdame schokte overeind. "Vond u het niet mooi?" vroeg ze. "Nee," antwoordde de keizer. "Tegen de muur. De volgende."

Nu verscheen een kamerdienaar die uitvoerig beschreef hoeveel moeite Jozef deed om toch een plaats in een der herbergen te krijgen, hoe koud het was in de stal en hoe dikke tranen over de verweerde rimpels van de herdersgezichten biggelden.

"En toen?" vroeg de keizer knorrig.

"De geschiedenis is uit, Majesteit,"
sprak de kamerdienaar plechtig.

"Tegen de muur," brulde de keizer,
"zoek een volgende verteller."

De volgende was een poetsknecht die het alleen maar over de herders had en hen ruwe dingen liet zeggen en daarna kwam er een hofdame die het in dichtvorm deed maar telkens vroeg de keizer: "En toen?" Dan kwam er geen antwoord en ze werden tegen de muur gezet. Tenslotte verscheen er een groepje hovelingen, dat gauw een kerstspel had ingestudeerd. Ze voerden het op met een echte os en een echte ezel, maar de keizer riep: "Kwatsch! Namaak. 't Lijkt er niet naar. Tegen de muur met jullie. De volgende."

Maar er was niemand meer in het paleis. De hele hofhouding stond in de troonzaal met de neus tegen de muur, de lijfwacht stond stram in de houding, met de kapitein saluerend aan het hoofd en het bleef doodstil.

"Het kerstverhaal!" brulde de keizer, "het echte."

Maar het bleef doodstil.

Jawel, totdat er voetstappen klonken in de gang, de deur geopend werd en een oude soldaat binnenkwam. Hij droeg versleten schoenen en een grote vaalgrijze jas hing over zijn schouders.

"Geen mens bij de poort," sprak hij, "geen mens bij de achterdeur, geen mens bij de binnendeur, geen mens in de keuken, niemand in de gang, dus ik dacht ..."

"Scheer je weg," riep de keizer.

"Maar ik wou vragen of ..."

"Verdwijn, mars," schreeuwde de keizer.

"... onderdak en een hapje in de keuken,"
stamelde de oude soldaat.

"D'r uit. Ik bedoel kom hier!" bulderde de keizer.
"Kom hier en vertel het kerstverhaal."

De soldaat strompelde tot voor de troon. Hij keek de keizer aan en zweeg lange tijd. Toen sprak hij:

"Och Sire, wat wilt u van een oude soldaat die moe is van de oorlog en moe van het marcheren? Het kerstverhaal? Ik heb een heel leven achter de rug van gaan en staan, van slapen in het koude veld en van dode kameraden. Ik heb het zoete geproefd van de overwinning en het bittere van de nederlaag. Wilt u van mij het kerstverhaal? Mijn schoenen zijn gebarsten en mijn jas is versleten. Hoe kan ik vertellen over wollen schaapjes en zingende engeltjes?" Het was doodstil geworden in de troonzaal. "Maar wat is het kerstverhaal?" vervolgde de oude soldaat. "U bent een machtig keizer. U beveelt en ieder doet wat u zegt. Ik zie ze hier allemaal staan met hun neus tegen de muur, als gehoorzame onderdanen en zie: het kerstverhaal gaat ook over een keizer. Over de keizer des keizers, over de allerhoogste, die van zijn troon afkwam om mens te worden onder de mensen."

"Maar," ging de soldaat verder, "is dat een verhaal? Als u mij vraagt: en toen? dan zeg ik: kom van uw troon af, machtig keizer en word mens onder de mensen. Dan zult u het kerstverhaal kennen."

De soldaat zweeg en even bleef 't stil in de troonzaal. Toen greep de keizer naar zijn gouden kroon en smeet hem met zoveel kracht op de vloer als hij nog nooit gedaan had. Alle hovelingen langs de muur keken ontzet om.

"Brutale luis," schreeuwde de keizer, "hoe durf je zo tegen mij te spreken? Verdwijn van hier, onmiddellijk. In looppas."

De soldaat haalde de schouders op. "Schiet op, mars," bulderde de keizer. De soldaat haalde opnieuw zijn schouders op, keerde zich om en begon langzaam naar de deur te strompelen.

"Donder en bliksem," brulde de keizer, "ik zei: looppas." Maar de soldaat scheen het niet te horen en opeens kwam de keizer als een woedende stier overeind, sprong de drie treden van zijn troon af en rende de soldaat achterna om hem het paleis uit te schoppen.

"Dat zal je voelen," riep hij, maar vreemd genoeg kon de keizer hem niet te pakken krijgen. Telkens wanneer hij meende de soldaat een schop of stoot te kunnen geven, was deze juist iets verder dan hij dacht.

"Ik zal je," schreeuwde de keizer door de lange gang. Hij gooide zijn zware hermelijnen mantel af om zich beter te kunnen bewegen en vloog de strompelende soldaat achterna. Maar deze ging door de keuken, door de achterdeur en de poort uit, zonder dat de keizer hem zelfs had kunnen aanraken.

In machteloze woede holde de keizer verder, de grauwe, schimmige figuur achterna, maar hoe harder hij liep, hoe groter de afstand tussen hen werd en tenslotte verdween de strompelende soldaat geheel uit het gezicht. Toen bleef de keizer hijgend staan. Een koude wind blies door zijn dunne onderkleren en hij begon te bibberen en te klappertanden en met zijn knieën te knikken.

"Ik heb het koud," schreeuwde hij. Maar niemand hoorde hem. "Breng mijn mantel," schreeuwde hij. Maar niemand kwam. Hij begon weer te lopen en dwaalde verder en verder. Hij werd kouder en kouder en zijn woede koelde. Toen struikelde hij en viel.

Het was de versleten jas van de soldaat die op zijn weg lag. "Ai," mompelde de keizer, "ai, ik ben gevallen. Van mijn hoge troon ben ik gevallen."

Het duurde een hele tijd voor hij weer opstond en omdat het zo bitter koud was, nam hij de soldatenjas, klopte het stof en zand eruit, sloeg hem om zijn schouders en strompelde langzaam terug naar het paleis.

De eerste, de tweede en de derde lakei, de oude keukenmeid, de hofdames, de kamerdienaren, de poetsknechten en alle andere hovelingen stonden nog steeds tegen de muur toen de keizer weer in de troonzaal verscheen. En omdat er geen schreeuwend bevel klonk, draaiden ze één voor één voorzichtig en nieuwsgierig het hoofd om. Daar stond hun heer en meester, de lastige en nukkige keizer, gehuld in een grauwe, versleten soldatenjas.

Hij sprak: "Het is kerstavond. Ik wens het feest met u allen aan één tafel te vieren en ikzelf zal het kerstverhaal vertellen."

Zo gebeurde. En welk verhaal dat was, weet ieder die ooit
van zijn eigen troon gevallen is.

Paul Biegel
Nederlands schrijver
1925 - 2006