Posts tonen met het label Toon Tellegen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Toon Tellegen. Alle posts tonen

woensdag 29 januari 2014

Een bloem

 photo tumblr_mhcqt83U231qm58blo1_400_zpsfa13292a.jpg

Als ik een bloem was,
zou ik dan nu bloeien?

Of zou ik een bijzondere bloem zijn,
een onvoorstelbare bloem,
een bloem die niet kan kiezen
tussen bloeien en niet bloeien,

en die over de rand
van een vaas voorover
leunt
om te zien of zijn afgrond
een bodem heeft?

Of zou ik alleen maar kunnen bloeien,
moeten bloeien,
rood en gedachteloos,
op een ongerepte schoorsteenmantel,
ergens
tussen schaamte en geluk?

En als ik een bloem was,
zou ik dan weten
wanneer ik moest verwelken?

Nu nog niet?

Toon Tellegen
Uit: Beroemde scherven

maandag 29 april 2013

Zal ik weggaan?


Zal ik verdrietig worden en weggaan?
Zal ik het leven eindelijk eens onbelangrijk vinden,
mijn schouders ophalen
en weggaan?

Zal ik de wereld neerzetten
(of aan iemand anders geven),
denken:
zo is het genoeg,
en weggaan?

Zal ik een deur zoeken,
en als er geen deur is: zal ik een deur maken,
hem voorzichtig opendoen
en weggaan - met kleine zachtmoedige passen?

Of zal ik blijven?
Zal ik blijven.

Toon Tellegen

vrijdag 27 juli 2012

Zomer


De zon schijnt,
de hemel bloeit.
Mensen kijken omhoog,
gaan op hun tenen staan,
klimmen op elkaars schouders
en plukken God.

"God is mooi", zeggen ze,
"mooier dan ooit".
Ze zetten hem in vazen
op hun tafels en voor hun ramen,
en God bloeit en geurt
een middag en een avond.

Dan leggen ze hem
tussen de bladzijden van een schrift
onder een ijzeren gewicht;
voor later, in de winter,
als er niemand is.

Toon Tellegen

dinsdag 7 februari 2012

Gelukkig zijn


Of kan hij nog gelukkiger zijn? En wanneer dan?
De zon scheen en de eekhoorn en de mier zaten in het gras aan de oever van de rivier. Boven hen ruiste de wilg, voor hen kabbelde het water, terwijl in de verte de lijster zong.

‘Volgens mij,’ zei de eekhoorn, ’ben ik nu gelukkig.’

De mier zweeg en kauwde op een grassprietje.

‘Ik denk,’ zei de eekhoorn, ‘dat ik nooit gelukkiger kan zijn dan nu,’

‘Nou …’ zei de mier. ‘En als er nu een honingtaart voorbij zou komen vliegen met een briefje erop:
voor de eekhoorn en de mier …?’

‘Ja,’ zei de eekhoorn. ‘Dan zou ik nóg gelukkiger zijn. Maar gelukkiger dan dán is onmogelijk.’

‘Nou …’ zei de mier. ‘Als ik nu eens van plan was op reis te gaan en ik zou zeggen: eekhoorn, ik ga niet, ik blijf bij jou, goed? ...’

‘Ja,’ zei de eekhoorn. ‘Je hebt gelijk.
Dan zou ik nog gelukkiger zijn …’

‘En als de krekel vanavond een heel groot feest gaf, en als je nu plotseling een brief met een uitnodiging van de walvis kreeg, en als de zon vandaag niet meer onder zou gaan, en als alles rook naar verse beukenoten …?’

De eekhoorn zweeg. Hij keek naar het glinsterende water en dacht: dus ik ben eigenlijk helemaal niet zo gelukkig … Hij keek schuin opzij naar de mier. Maar de mier had zijn ogen dicht, kauwde op het grassprietje en liet de zon op zijn gezicht schijnen.
Wat ben ik dan? dacht de eekhoorn. Als ik niet heel gelukkig ben … Het was alsof er een wolk voor zijn gezicht schoof. Hij wist geen antwoord op die vraag.

In de verte zweeg de lijster en begon de nachtegaal te zingen, zo maar, midden op de dag. Hee, dacht de eekhoorn, wat zijn dat? Hij voelde iets bewegen in zijn ogen. Tranen? dacht hij. Zijn dat tranen? Hij zuchtte diep, vouwde zijn staart onder zijn achterhoofd en keek naar de lucht. Ik zal maar niet meer denken, dacht hij. Maar hij wist dat dat heel moeilijk was.
Zo lagen zij daar naast elkaar in het gras aan de oever van de rivier, de mier en de eekhoorn.

Wat liggen wij hier heerlijk, eekhoorn.’ zei de mier na een hele tijd.

De eekhoorn zei niets.

‘Ik heb nog nooit zo heerlijk gelegen,’ zei de mier.

Ik wou, dacht de eekhoorn, dat ik eens één keer op een tak zat, met mijn knieën over elkaar en dat de mier beneden stond en naar boven riep: je hebt gelijk, eekhoorn, ik geef het toe, je hebt helemaal gelijk …

De zon zakte langzaam naar omlaag, de rivier kabbelde en in de verte zong de merel. De eekhoorn keek maar en luisterde maar en dacht verder niets.

Toon Tellegen

De verjaardag van de eendagsvlieg

Fragment uit:


Op een dag vroeg de eekhoorn aan de mier: ‘Zou dat kunnen, nooit meer jarig zijn?’

De mier fronste zijn voorhoofd en dacht heel diep na. ‘Ik weet het niet’, zei hij toen ernstig, want hij wist het echt niet.

De eekhoorn wilde het heel graag weten en vroeg het aan iedereen. Maar niemand wist het.
Nooit meer jarig …
Sommige dieren rilden of keken somber naar de grond.
Aan het einde van de dag kwam de eekhoorn de eendagsvlieg tegen.

‘Ja’, zei de eendagsvlieg, op de vraag van de eekhoorn. Hij liet de eekhoorn een brief zien, waarin stond dat hij, de eendagsvlieg, nooit jarig werd en dat daaraan niet te tornen viel. ‘Anders geloof je me niet’, zei hij.

De eekhoorn las de brief en zei niets.

‘Wat ik wel word weet ik niet’, ging de eendagsvlieg verder. ‘Maar jarig nooit meer’. Er kwamen tranen in zijn ogen en hij vloog weg.

De eekhoorn voelde een eigenaardig soort verdriet, dat hij nog nooit gevoeld had, langs zijn knieën omhoog kruipen. Het lijkt wel een plechtig verdriet, dacht hij.
Het werd koud en de wind stak op.

Die nacht droomde de eekhoorn van sombere taarten die plotseling uit elkaar vielen in duizenden stukjes die zó klein waren dat je ze niet kon opeten. En een stem zei in zijn droom: ‘Nooit meer taart.’ Hij wilde net ‘Wat dan?’ roepen en zijn armen ten hemel heffen toen hij wakker werd. De zon scheen al door zijn raam naar binnen en de wind blies net een brief onder zijn deur door.
De eekhoorn ging aan tafel zitten en las:

Eekhoorn,
Ik heb me bedacht. Ik word toch
wel weer jarig. Ik weet nog niet hoe,
maar ik word het wel. Kom je ook?

De eendagsvlieg

De eekhoorn liep naar het raam en riep: ‘Ja!’. En hij schreef dat ook in een brief.
Er valt overal aan te tornen, dacht hij.

De wind stak op en nam de brief van de eekhoorn mee, het bos door, over de rivier, naar het taaie gras, waartussen de eendagsvlieg woonde.

Toon Tellegen

maandag 6 februari 2012

Missen


Op een ochtend klopte de mier al vroeg op de deur
van de eekhoorn.

“Gezellig,” zei de eekhoorn.

“Maar daar kom ik niet voor,” zei de mier.

“Maar je hebt toch wel zin in wat stroop?”

“Nou ja een klein beetje dan.”

Met zijn mond vol stroop vertelde de mier
waarvoor hij gekomen was.

“We moeten elkaar een tijdje niet zien,” zei hij.

“Waarom niet?” vroeg de eekhoorn verbaasd. Hij vond het juist heel gezellig als de mier zomaar langskwam. Hij had zijn mond vol pap en keek de mier met grote ogen aan.
“Om erachter te komen of we elkaar zullen missen,” zei de mier.

“Missen?”

“Missen. Je weet toch wel wat dat is?”

“Nee,” zei de eekhoorn.

“Missen is iets wat je voelt als iets er niet is.”

“Wat voel je dan?”

“Ja, daar gaat het nou om.”

“Dan zullen we elkaar dus missen,” zei de eekhoorn verdrietig.

“Nee,” zei de mier, “want we kunnen elkaar ook vergeten.”

“Vergeten! Jou?!” riep de eekhoorn.

“Nou,” zei de mier. “schreeuw maar niet zo hard.”

De eekhoorn legde zijn hoofd in zijn handen.

“Ik zal jou nooit vergeten,” zei hij zacht.

Toon Tellegen

dinsdag 27 december 2011

Misschien wisten zij alles ...



De eekhoorn schrok midden in de nacht wakker. Had hij gedroomd? Hij herinnerde zich geen droom, maar hij was wel bang. Hij rilde, terwijl hij het toch niet koud had, en hij voelde koude zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd en in zijn hals.

Hij probeerde zich zo stil mogelijk te houden en te luisteren naar geluiden van buiten. Misschien had er iemand geklopt of had er in de verte iemand gegild. Maar hij hoorde niets. Hij ging weer liggen, maar hij kon niet meer in slaap komen. Talloze gedachten gingen door hem heen. Hoe moet dit, en waarom is dat, en wat gebeurt er later? Het waren vragen waar hij geen antwoord op wist, vooral niet op de laatste vraag die maar door zijn hoofd bleef gaan: wat gebeurt er later? Hij kon niets bedenken wat ook maar leek op een antwoord op die vraag. Wat als later? dacht hij. Hij had het er wel eens met de mier over gehad, maar die had zijn schouders opgehaald en gezegd dat hij nooit van later had gehoord en dat het dus wel niks zou zijn. Maar voor de eekhoorn was dat niet voldoende. De ekster had hem eens verteld dat later het omgekeerde was van vroeger, maar wat was vroeger dan? Het was een donkere nacht. De eekhoorn deed zijn raam open om de donkere lucht op te snuiven en hier en daar tussen de wolken misschien een ster te zien.

Ik ben alleen maar Nu, dacht hij, voor het raam, in de nacht, tegenover de lucht. Misschien heeft de mier wel gelijk, dacht hij verder, en is later niets. Maar wat is het omgekeerde van niets: iets of niets? Bestond vroeger wel of niet? En waarom kon hij eigenlijk niet slapen, terwijl zo te denken iedereen sliep?

Hij zuchtte diep en blies met zijn zucht een blad van de beukeboom de lucht in. Hij hoorde het ritselende blad in de verte wegzweven.

Ik ben alleen maar Nu, dacht hij opnieuw. Ik ben nooit later geweest en ik zal nooit vroeger worden. En terwijl hij zijn gedachten, die altijd wijzer waren dan hijzelf, niet langer volgen kon, voelde hij zich weer tevreden worden. Hij ging terug naar bed, stapte onder zijn deken, zei: 'Nu of nooit' en sliep op hetzelfde ogenblik in.

donderdag 15 december 2011

Soms, een enkele keer


Soms, een enkele keer,
met heel veel moeite en voornamelijk toevallig,
lukt het iemand
om met beide armen zijn verdriet te omvatten.

Hij tilt het op.
Laat de deur niet op slot zijn, nu ...
Hij duwt hem open met zijn knie
en loopt met grote breedsporige passen naar buiten.

Kijk uit! roept hij
want het verdriet is zo groot dat hij er niet overheen kan kijken,
en doorzichtig is het nooit.

Ver weg, in een sloot of op een drassige plek
onder populieren
of achter een scheve schutting tussen oude autobanden,
speelgoed, resten van vuur,
gooit hij het neer
en fluitend loopt hij terug naar huis.

Toon Tellegen

zaterdag 5 november 2011

De vlieg



De vlieg vloog tegen de mug aan, midden in de lucht.

‘Ik was in gedachten verzonken ...’ zei de vlieg en streek zijn vleugels recht.

‘Ik ook! Wat toevallig!’ zei de mug die een bult op zijn voorhoofd had.
‘In welke gedachten was jij verzonken?’

‘In mooie gedachten,’ zei de vlieg.

‘Ik ook! Wat leuk!’ zei de mug.

Zij gingen naast elkaar tegen een muurtje zitten, en de mug haalde een boek met gedachten te voorschijn en begon het voorzichtig door te bladeren.

‘Kijk,’ zei hij, halverwege het boek, ‘in die gedachten verzink ik altijd.’

De vlieg bekeek die gedachten van boven naar beneden. Hij kende ze wel. Mooie gedachten waren het.

‘Sla eens om,’ zei hij.

De mug sloeg één bladzijde om.

‘Ja!’ zei de vlieg. ‘Die gedachten. Daar verzink ik altijd in.’ Hij wees een paar prachtige gekleurde gedachten aan en zoemde vergenoegd.

‘Ja,’ zei de mug, ‘dat zijn ook mooie gedachten. Dat vind ik ook.’

Zij kropen dicht tegen elkaar en keken verder in het boek.

‘Wat is dat voor gedachte?’ vroeg de vlieg
en wees een dikke kronkelige gedachte aan.

‘Dat is een slechte gedachte,’ zei de mug.‘Heb jij die nooit?’

‘Nee,’ zei de vlieg, aarzelend, ‘zo'n gedachte kan ik me niet herinneren.’

‘O,’ zei de mug. ‘Je wordt helemaal rood van binnen van die gedachte,
als je hem lang genoeg hebt.’

‘Nee’, zei de vlieg toen. ‘Die gedachte heb ik nooit.’ Want hij was nog nooit van binnen rood geweest. Dat wist hij zeker.

Zo bladerden zij verder en zagen nog talloze gedachten. Diepe gedachten, zware gedachten, een paar zwarte gedachten - ‘dat zijn noodlottige gedachten,’ zei de mug die het boek goed kende -
en ook luchtige, lichtblauwe en rare gedachten.

‘Ik wist niet dat er zoveel gedachten waren,’ zei de vlieg,
toen de mug de laatste bladzijde omsloeg.

‘Ja,’ zei de mug. ‘En dit is nog maar deel één.’

Zij schudden hun hoofd, namen afscheid van elkaar
en vlogen elk een andere kant op.

De avond viel, dunne witte nevels maakten zich los van de grond en begonnen rond te dwalen, tussen de bomen, alsof zij iets zochten. Het was midden in de zomer, midden in het bos ....

Toon Tellegen

vrijdag 4 november 2011

De schildpad


‘Weet jij eigenlijk wel zeker dat jij de schildpad bent, schildpad?’ vroeg de krekel op een ochtend aan de schildpad.
De schildpad keek hem beduusd aan en begon na te denken. Na een tijd zei hij: ‘Nee. Dat weet ik niet zeker.’
Somber gluurde hij onder zijn schild vandaan naar de krekel. ‘Ik weet wel dat ik de krekel ben,’ zei de krekel. ‘Ik tsjirp, dus ik ben de krekel.’

Hij maakte een sprongetje van plezier.
Ik doe niets, dacht de schildpad. Maar dat is volgens mij niet genoeg om de schildpad te zijn.

De kikker had het gesprek gehoord en zei: ‘Ik kwaak, dus ik ben de kikker.’
‘Inderdaad, kikker, inderdaad,’ zei de krekel. ‘Jij kwaakt, dus jij bent de kikker. ‘
Zij sloegen elkaar op de schouders en keken de schildpad tamelijk meewarig aan.
Zou ik dan misschien niet de schildpad zijn? dacht de schildpad. Maar wie zou ik dan zijn …? Als ik nou eens denk: ik schuifel, dus ik ben de schildpad … Hij schuifelde wat heen en weer. Nee, dacht hij. Dat is niets. Er schuifelen er trouwens zoveel.
De schildpad voelde zich eenzaam en onzeker, terwijl de krekel en de kikker vrolijk wegliepen, elkaar op de schouders sloegen en zongen: ‘wij weten wie we zijn!’
Toen klonk er opeens een geraas uit de top van de eik waaronder de schildpad stond. Het was de olifant die daar bij zonsopgang naartoe was geklommen. Nu viel hij.
‘Ik val …’ kon hij nog roepen. Toen viel hij met een zware slag op de grond vlak naast de schildpad. Dat is de olifant, dacht de schildpad somber. Dat staat vast.

Even later sloeg de olifant zijn ogen op. ‘Hallo schildpad’, zei hij zachtjes.
‘Weet je zeker dat ik dat ben?’ vroeg de schildpad verbaasd. ‘Weet je dat echt zeker?’
‘Ja,’ kreunde de olifant. ‘Wie zou je anders zijn?’
‘Dat weet ik niet,’ zei de schildpad.
‘Nou dan,’ zei de olifant, en met een pijnlijk gezicht voelde hij aan de enorme bult op zijn achterhoofd.

De schildpad had de krekel en de kikker wel achterna willen hollen.
Maar ja, dacht hij, als ik dat doe geloven ze helemaal niet dat ik de schildpad ben. En dus bleef hij stilstaan, in het gras, onder de eik, en zei zachtjes tegen zichzelf: ‘Hallo, schildpad. Hallo.’

Toon Tellegen

zaterdag 15 oktober 2011

Een hand aan de hemel


Er verscheen een hand aan de hemel.
Iedereen keek omhoog.
Het is heel goed mogelijk dat het zomaar een hand was
die iemand had weggegooid,
en die toevallig in een opstijgende luchtstroom terecht was gekomen.
En anders is er wel een andere verklaring die aannemelijk is.
Een vinger wees naar ons.
Maar dat kan alles, werkelijk alles betekenen.

Toon Tellegen

vrijdag 14 oktober 2011

Toon Tellegen - geluk


De zon scheen en de eekhoorn en de mier zaten in het gras aan de oever van de rivier. Boven hen ruiste de wilg, voor hen kabbelde het water, terwijl in de verte de lijster zong.

"Volgens mij", zei de eekhoorn, "ben ik nu gelukkig".

Toon Tellegen